Chima

Op zondag voor Pasen lopen Chima, haar moeder en haar tante, met alle andere gelovigen van de kerk, mee in de palmpaasprocessie. Ze krijgen takken die gezegend zijn en ze hebben hun mooiste kleren aan. Chima draagt een bontjas over haar jurk. Om haar heen danst iedereen. Er wordt getrommeld en gezongen. De mensen die in deze buurt wonen, maken foto's vanaf hun balkon en ze zwaaien naar de stoet. Maar Chima tuurt naar de grond. Alle mensen kijken naar ons, zegt ze.

Over een week moet Chima communie doen, dan hoort ze helemaal bij de kerk. Uit de kast trekt ze haar boek. De Bijbel. Met plaatjes. Alle verhalen moet ze kennen als het Pasen is, volgende week. En het zijn er erg veel.

Er staan verschrikkelijk griezelige plaatjes in. Deze is de engste, zegt Chima. Ze bladert. Daar heb je hem. Jezus, hij hangt aan een kruis, zijn handen zijn boven zijn hoofd aan de paal gespijkerd en zijn hele lichaam is bedekt met rode strepen bloed. Chima slaat het boek weer dicht. Doodeng. Ze heeft er ook wel eens een video van gezien.

Ze begint het verhaal voor te lezen van de dans om het Gouden Kalf. Doodernstig: ,,Nee maar, wat doen die Israëlieten nu? Zij aanbidden een kalfje! Waarom doen zij dat?''

Een van haar lievelingsverhalen. Maar de echte favoriet blijft toch die andere: ,,Dat Jezus wordt gespijkerd.''