AFSCHEID VAN EEN ULTIEME DOORZETTER

Vanavond, of uiterlijk woensdag, speelt Ron Zwerver de laatste wedstrijd uit zijn carrière. De 31-jarige Amsterdammer wordt beschouwd als de beste Nederlandse volleyballer aller tijden. Met Roeselare hoopt hij nog één hoofdprijs, de Belgische landstitel, te winnen. Elf vragen aan Zwerver over zijn fraaie loopbaan.

Wat is de ultieme volleybal-locatie?

Ron Zwerver: ,,Voor mij is dat toch de Bankrashal in Amstelveen, daar ligt een hoop energie en zweet. Ik herinner me vooral die krakkemikkige bankjes in de kleedkamer. Dat zijn van die balken van maar tien centimeter breed. Uren en uren hebben we er gezeten, luisterend naar Arie Selinger en later Harrie Brokking. Ik kwam al als broekje van vijftien op de fiets naar de Bankras. Later heb ik er mijn eerste auto tegen een lantaarnpaal gereden. Vraag het maar aan Peter Blangé, die heeft het gezien. Ik was apetrots op mijn auto en wilde hem even parkeren, boem!''

Wie was de belangrijkste persoon in je carrière?

,,Een inkoppertje. Avital Selinger, natuurlijk. Van hem heb ik het meeste meegekregen. Hij kon het allemaal zo goed voordoen en uitleggen. Ik geloofde hem, niet meteen, want ik heb interviews van mezelf teruggelezen waarin ook ik hem voor gek verklaarde. Ik was vijftien jaar toen ik hem voor het eerst ontmoette. Ik had even gevoetbald, maar wilde toch weer gaan volleyballen en moest van mijn vader een goede club uitkiezen. Martinus of AMVJ. Een bestuurslid van Martinus nam me toen mee naar een wedstrijd tussen beide clubs. Na afloop werd ik aan Avi voorgesteld, aan Marco Brouwers, aan Bert Goedkoop. Ik kwam in heren-4 terecht en toen ging Avital ons een keer trainen. Hij nam me apart, gaf me een persoonlijke behandeling. Dat maakte indruk. Later kwamen we samen in één team.

,,We hebben samen iets unieks bereikt. Ik ben hem dankbaar, logisch toch? Na 1992 hebben onze wegen zich gescheiden. Tot die tijd ben ik ook om Avi bij Oranje gebleven. Daar heb ik nooit spijt van gehad. Ik ging na de Olympische Spelen van Barcelona naar Treviso. Ik bleef wel bij het Nederlands team, maar Avi werd niet meer uitgenodigd. Ik voelde me niet verplicht om hem erbij te houden. Ik had te maken met een heel team. En onder Joop Alberda als coach zat het er toch niet in dat Avital nog zou worden geselecteerd. Ik spreek hem niet zo vaak meer, hij zit in Japan. Maar als hij bij me op de stoep zou staan, zou het meteen weer ouderwets zijn. Met zijn vader Arie kon ik ook wel goed opschieten, maar het contact was afstandelijker. Avital volgde zijn vader en ik volgde Avital.''

En de grootste dwarsligger?

,,Er waren altijd mensen die het niet begrepen. Spelers waaraan ik me rot ergerde en waarvan je je afvroeg: Wat doen die hier? Een bondscoach die op den duur meer met zichzelf bezig was dan met het team. Het eigen ego, hè. Nee, ik heb geen zin om jaren later nog namen te noemen. Die mensen hebben het team gebruikt, maar dat heb ik zelf natuurlijk ook. Ik had de Nederlandse ploeg nodig om me internationaal in de kijker te spelen. Makkelijk zat. Iedereen heeft op zijn manier de vruchten geplukt.''

De ideale spelverdeler?

,,Moeilijke vraag. Ik twijfel tussen Avital Selinger en Peter Blangé. Peter heeft een mindere techniek dan Avi, maar hij heeft zo veel specifieke kwaliteiten. Daarom denk ik toch dat hij de beste is. Blangé heeft van die klaphanden hè, hij kan een bal heel snel naar achteren spelen. Dat lukt niemand anders. Door zijn lengte kan hij ook nog bij de hele hoge ballen. Avital is weer heel secuur in het aanspelen, een perfectionist. Van hem krijg je de bal precies waar je hem hebben wil. Peter is anders, die zegt: sodemieter op, rossen. Hij vindt dat je elke bal moet maken, al krijg je hem onder je oksel aangespeeld. Om te trainen is Avital de beste spelverdeler. Met zowel Avi als Peter had ik in het veld een bijzondere verstandhouding. Eén blik was voldoende.''

Waarom speelde je altijd met nummer acht?

,,Dat was destijds het enige shirt dat over was bij de nationale ploeg. Ik had bij Martinus en de Nederlandse jeugd nummer zes, maar dat had Jan Posthuma al. Daar baalde ik best wel van. Nu is acht mijn nummer. Toen ik dit seizoen bij Roeselare kwam, moest een speler dat shirt aan mij afstaan. Bij Oranje heeft manager Gerard Verhalle na mijn vertrek dat nummer nog niet echt vergeven. Een mooi gebaar. Ik vind het ook prachtig dat bij Chicago Bulls nooit iemand het nummer van Michael Jordan zal krijgen. Als ik weleens naar het casino ga, zet ik altijd in op acht. En op negen, het nummer van Avital.''

Wat was in al die jaren het moeilijkste moment?

,,Ik heb er nog steeds moeite mee dat we de WK-finale van '94 hebben verloren. Ik was er toen zo van overtuigd dat we van de Italianen konden winnen. De rolverdeling bij ons was niet goed. Er stond geen geolied team. Joop Alberda hield altijd lang vast aan de oude namen, maar destijds had Bas van de Goor, die er net bij was gekomen, al voor Ronald Zoodsma in de basisploeg moeten staan. Weet je dat ik me niet eens meer kan herinneren hoe het scoreverloop in die finale was. Ik weet alleen nog dat we er in de laatste set echt werden afgeslagen, bijna 15-0. De laatste bal was een ace op Bas. Die stond in het veld te janken.

,,Eigenlijk, nu ik erover denk, heb ik het bij de Olympische Spelen in Barcelona nóg moeilijker gehad. Na de voorronde zat ik met die blessure aan mijn poot, ik dacht dat ik niet meer kon spelen. Het team draaide ook nog eens voor geen meter. Vooraf was het steeds van: samen dit, samen dat. Daar kwam dus helemaal niets van terecht. Het waren allemaal eilandjes, niks hechte ploeg. Na de laatste poulewedstrijd tegen Rusland gaf Arie Selinger een donderspeech in de kleedkamer. Ik zat bij de dopingcontrole en hoorde hem door de muur heen tekeer gaan. Daar hoefde ik niet bij te zijn, dus heb ik bewust mijn plas even opgehouden. Het is over en uit met ons, dacht ik toen, heb ik hiervoor drie jaar getraind? Ben ik hiervoor nog niet naar een Italiaanse club gegaan? Ik zag mijn droom uit elkaar spatten. We werden vierde in de poule en we moesten in de kwartfinale tegen de grote favoriet Italië. Het is een wonder dat we uiteindelijk toch nog zilver wonnen. Ik werd ook nog uitgeroepen tot de beste speler van het toernooi. Toch heb ik er een behoorlijke kras van op mijn ziel aan overgehouden. Zoiets wil ik echt nooit meer meemaken.''

Heb je nog ergens spijt van?

,,In 1990, vlak voor het WK in Brazilië, hebben we die drie jongens (Blangé, Grabert en Zoodsma, red) weggestuurd. Op zich heeft dat op mij een positieve uitwerking gehad, want ik heb me daarna uit het dal moeten knokken. Je werd zelfstandiger. Toch vind ik dat het destijds op een andere manier had moeten worden opgelost. Het is jammer dat er niemand was, een manager of een bestuurslid, die de kwestie in goede banen heeft kunnen leiden. Die had moeten zeggen: Zwerver, zo gaat dat niet! Nee, ik vind niet dat mij wat kan worden verweten. Ik deed toen alles op gevoel en zag gewoon geen andere weg.''

Wat is je meest memorabele wedstrijd?

,,Ik heb veel belangrijke wedstrijden gespeeld en hoop er met Roeselare nog één te spelen. We staan in de play-offs met 2-1 achter tegen Maaseik. We hebben weer een wondertje nodig om kampioen te worden. Dé wedstrijd was natuurlijk die finale in Atlanta, de kroon op ons werk. Het was voor heel Nederland een prachtige climax van de Olympische Spelen, het laatste onderdeel. Ja, we hadden daarvoor veel finales verloren en hadden toen ook weer kunnen verliezen. Als dat was gebeurd, had ik gezegd: we kunnen niet beter. Vooraf waren we al trots en blij met twee keer olympisch zilver.

,,Italië had de betere spelers, had meer geld, maar bezweek onder de druk. We hadden eigenlijk met 3-1 in plaats van 3-2 moeten winnen. In de vierde set stonden we dik en dik voor. Ik kan begrijpen dat de spanning bij het publiek groot was. Mijn moeder kon het thuis in Amsterdam niet meer aanzien en is naar buiten gelopen. Ik maakte het laatste punt. Peter kon die bal bijna nergens anders naar toe spelen. Dat zag ik ook wel. Je moet in zo'n geval niet meer nadenken, gewoon hard rossen. Ik heb later hoofdzakelijk die vijfde set teruggezien op video, wel zo'n tien keer. Dan zit ik met het zweet in de handen. Daarom was het maar goed dat ik destijds in het veld stond.''

Waar ligt je gouden medaille?

,,Die is veilig opgeborgen, je hebt altijd gekken die zo'n ding willen meenemen. Ik haal hem weleens tevoorschijn. Afgelopen kerstmis heb ik de medaille nog uitgestald. We hadden in ons huis in Heiloo een etentje met de familie. Lag die plak tussen de dennentakken en wat zilveren dingetjes. Het zag er mooi uit. Ik vroeg me af of mijn vader die medaille zou opmerken. Hij zag 'm meteen. Het plan is om later een speciale vitrine te maken voor alle prijzen. Maar die zal dan niet in de huiskamer komen te staan. Want ik weet nu dat er meer in het leven is dan volleybal.''

Ben je financieel onafhankelijk?

,,Als ik een gewoon, normaal leven wil leiden – huisje, auto, elk jaar een keer op vakantie – dan hoef ik me geen zorgen te maken. Maar ik heb geen zin om stil te zitten. Ik moet een doel hebben. Daarom is sport zo mooi, steeds weer is er iets waar je je op kan richten. Die wedstrijd, dat toernooi. Ik zou ook graag wat in de sport blijven doen, misschien in een combinatie met het bedrijfsleven. Ik heb het volleybal in Italië meegemaakt, daar is alles uitstekend geregeld. Hier in België, en dat zal ook wel voor Nederland gelden, heb ik altijd het idee dat er meer uit te halen valt. Dat proces wil ik wel helpen begeleiden. Ik ga volgend jaar in ieder geval als toeschouwer samen met mijn vrouw naar de Olympische Spelen in Sydney.''

Wat moet er straks in de sportencyclopedie achter de naam Ron Zwerver komen te staan?

Na enige bedenktijd: ,,Een doorzetter die zijn droom wist te realiseren. Ja, zoiets moet het zijn.''