AEXIT

Als de concentraties in de effectenwereld gewoon doorgaan, ontstaat er vanzelf binnen een paar jaar één Europese effectenbeurs voor de A-merken aandelen en blijft de Amsterdamse AEX zitten met de B-merken.

Tot nu toe slaagt de effectenbranche er niet in om particuliere beleggers een nuttig assortiment te bieden. Men komt niet verder dan een stroom ondoorgrondelijke producten met vreemde namen. Zeg maar: honderden soorten yoghurt. De beurs zou kunnen leren van Unilever, dat zijn stortvloed van 1.800 merkartikelen sterk indamt. Beleggen kan ook eenvoudig, zoals blijkt uit het volgende voorbeeld.

Een gehuwde lezer (35) uit Boskoop koopt elke maand voor 500 gulden participaties in een beleggingsfonds dat wereldwijd in aandelen belegt. Zo wil hij een pensioenpot opbouwen om over twintig jaar te kunnen stoppen met werken. Kan dat?

Aan eerder stoppen kleven minstens vijf nadelen. Het normale inkomen valt weg. De opbouw van een ouderdomspensioen stopt meestal en komt daardoor lager uit. De van het ouderdomspensioen afgeleide weduwen- en wezenpensioenen komen eveneens lager uit. Het ouderdomspensioen gaat pas in op 65 jaar, tenzij er een vervroegde (flink lagere) uitkering mogelijk is. De AOW-uitkering gaat in op de eerste dag van de maand waarin men 65 jaar wordt. Nooit eerder.

De reserve in eigen beheer moet voldoende zijn om tien jaar lang (van 55 tot 65 jaar) het gemis aan inkomen op te vangen, en daarna het lagere ouderdomspensioen te compenseren. Overlijdt de kostwinner tijdens die tien jaar, dan blijven de nabestaanden financieel beter achter dan tijdens zijn leven. Immers: de eigen reserve blijft intact als bron van inkomen. En daarbij komen het weduwenpensioen, eventueel een of meer wezenpensioenen, en mogelijk de ANW-uitkeringen, die direct ingaan. Daarom is een overlijdensverzekering in die periode niet nodig.

Hoeveel kan er na 20 jaar in de pot zitten, bij een inleg van 6.000 gulden per jaar, of 500 per maand? Tegen gemiddeld 8 procent netto per jaar bijna 300 duizend gulden, op een totale inleg van 120 duizend. Tegen 10 procent circa 380 duizend gulden en tegen 12 procent rond 485 duizend. Dit zijn schattingen! Het zit er in dat je over het dividend uit die belegging, als op 1 januari 2001 het nieuwe belastingstelsel ingaat, niet langer inkomstenbelasting betaalt. Mogelijk betaal je wél de beoogde rendementsheffing van 1,2 procent over het totale vermogen, tenzij de reserve fiscaal gezien een redelijke oudedagsvoorziening is.

Wat leveren de opgebouwde bedragen van 300, 380 en 485 duizend gulden op aan inkomen tussen 55 en 65 jaar, tegen dezelfde percentages van 8, 10 en 12 procent, met interen? Per jaar circa 45 duizend gulden, 62 duizend en 85 duizend. Over die bedragen is geen inkomstenbelasting verschuldigd: het gaat om opnames van eigen vermogen en onbelaste dividenden. Door volledig in te teren kan de briefschrijver uit de reserve zijn ouderdomspensioen vanaf 65 jaar niet meer aanvullen.

De Boskoper betwijfelt of de berekende bedragen voldoende zijn, want hij wil een pas ontvangen erfenis van 25 duizend gulden ook in het beleggingsfonds stoppen. Is dat verstandig? Doe je dat in één keer, of liever door te middelen, bijvoorbeeld 36 maanden een gelijk bedrag storten? Hij wil zelfs een stap verder gaan: zijn aflossingsvrije hypotheek met 25 duizend gulden verhogen en dat bedrag in het fonds storten.

Een eenmalige investering van de erfenis van 25 duizend gulden tegen 8, 10 of 12 procent groeit in 20 jaar uit tot respectievelijk 116 duizend, 168 duizend of 240 duizend gulden. Of uitsmeren over 36 maanden, een relatief korte termijn vergeleken met 20 jaar, minder of meer oplevert, hangt af van de koersontwikkeling van het beleggingsfonds.

Bij de extra injectie uit de hypotheekverhoging past een kanttekening, los van de eventuele fiscale beperkingen. In het nieuwe belastingsysteem (de voorstellen worden een dezer dagen gepubliceerd) daalt bijvoorbeeld het 50 procent belastingtarief naar 40 procent, waardoor het zelf te betalen deel van de hypotheekrente stijgt. Nu betaalt de fiscus van iedere gulden rente 50 procent en de hypotheekgever ook 50 procent. Straks gaat die verhouding naar 40 procent en 60 procent, waardoor de rentelasten van de schuldenaar met 20 procent (van 50 naar 60 procent) stijgen. Wat er wellicht voor pleit om de hypotheek niet te verhogen.

Een hogere hypotheek leidt altijd tot hogere rentelasten, waardoor het besteedbare inkomen daalt. In een gezin met opgroeiende kinderen, en een partner die misschien minder gaat werken, kan dat mede een overweging zijn om de schulden te drukken. De lezer kan daarom overwegen met de erfenis van 25 duizend gulden extra af te lossen. Zo bouwt hij een evenwichtiger (dus niet bijna alles in aandelen) samengesteld vermogen op.