Zorro op pad in Abessinië

In het jaar 1701 verleende koning Lodewijk XIV audiëntie aan de arts Poncet, die hem een boodschap kwam overbrengen namens de negus van Abessinië. Deze `koning der koningen' had zijn gezant geschenken meegegeven voor zijn machtige Europese collega: zakken stofgoud, tabak, civet en wierook, vier merries en twee olifanten `uit wier slagtanden men een levensgroot ivoren standbeeld had kunnen snijden'. Helaas waren in de loop van Poncets maandenlange reis de kostbaarheden gestolen en de dieren gestorven. Wat hem restte had hij bewaard in een tijdens de tocht haastig in elkaar getimmerde houten kist. Voor de ogen van Lodewijk XIV opende hij de kist en verscheen er, in een stinkende walm, een beschimmeld olifantsoor, terwijl `de meest weerzinwekkende insecten, in schrikbarende drommen' over de vloer sprongen. Poncet werd in de boeien geslagen en door soldaten afgevoerd. Maanden later moest hij verschijnen voor een commissie van wijze mannen die, in een langdurig proces, onderzocht of hij überhaupt wel in Abessinië was geweest.

Het is een tot de verbeelding sprekende scène uit De Abessijn, geschreven door de arts en Afrika-kenner Jean-Christophe Rufin, die ook werkt als docent geopolitiek aan het Institut des études politiques te Parijs. Je ziet de verwarring op het gezicht van de jonge, vrijgevochten geneesheer, die zich toch al niet zo op zijn gemak voelt aan het stijve hof in Versailles. Hij kent er de etiquette niet en zijn libertijnse manier van doen krijgt een wantrouwend kille ontvangst. Je voelt hoe de arrogante hovelingen het tafereel misprijzend gadeslaan en in hun vuistje lachen bij zoveel onnozelheid. Je ziet hoe de koning `met zijn pokputjes, zijn rode neus en zijn halskwabben' verstrakt in zijn koninklijke fauteuil.

Het boek van Rufin staat vol met dit soort scènes, vensters naar een andere tijd, naar een volslagen andere wereld. Toch heb je het idee dat je de personages kent, dat je ze kunt aanraken, dat je ruikt wat zij ruiken en ziet wat zij zien. Terecht sleepte Rufin met zijn debuut zowel de Prix Goncourt du premier roman als de Prix Méditerranée in de wacht.

De Abessijn is een spannende avonturenroman in de negentiende-eeuwse, romantische zin van het woord. Rufin moet zich op de een of andere manier verwant voelen met de negentiende-eeuwse schrijver Alexandre Dumas, auteur van De drie musketiers en De graaf van Monte-Cristo. Rufins knappe arts is even onverschrokken en avontuurlijk als d'Artagnan of Edmond Dantès en net zo bereid tot het uitvoeren van ogenschijnlijk onmogelijke opgaven in naam van de rechtvaardigheid, of van de liefde. Hun verlangen een meisjeshart te veroveren drijft hen tot grote daden en verre reizen. Talent voor ondergeschiktheid kan hen niet worden toegekend – de hoofdpersonen van Dumas en Rufin zijn wars van instructies, buigen maar zelden het hoofd en weten zich uiteindelijk ook van ieder juk te ontdoen. Het zijn echte helden, in de traditionele, letterlijke zin van het woord. Ze verpersoonlijken het ideaal van vrijheid van het individu.

Net als Dumas gaat Rufin uit van een geschiedkundige context, zonder een werkelijk historische roman te willen schrijven. Rufin is niet echt geïnteresseerd in de innerlijke beweegredenen die het handelen bepalen van Lodewijk XIV, de koning van Abessinië of de arts Poncet. Niet zoals Hella Haasse het gedrag probeerde te verklaren van Charles d'Orleans of zoals Helene Nolthenius het leven volgde van Leonidas van Tarente. Rufins roman speelt zich af `in de leemten van de geschiedenis'. Hij putte uit geschriften van reizigers uit de zeventiende en achttiende eeuw en verweefde er hedendaagse hartstochten doorheen. In de ruimte tussen de feiten liet hij zijn verbeelding de vrije loop. Van Poncet is bijvoorbeeld niet meer bekend dan dat hij apotheker in Caïro was en dat hij met een jezuïet naar Abessinië werd uitgezonden. Poncets geliefde is helemaal aan de fantasie van de auteur ontsproten, terwijl de haar toegedichte vader wel degelijk Frans consul in Caïro was.

Verzonnen of niet, De Abessijn is een boek waarmee je aangename uren doorbrengt. Door de geestige dialogen, Rufins eenvoudige, directe taalgebruik en de goede Nederlandse vertaling, raak je geen moment verveeld. Het gebrek aan diplomatieke gaven van Monsieur de Maillet, Frans consul in Caïro en marionet van een aan het Franse hof verblijvende suikeroom, zorgt meteen op de eerste pagina's al voor hilariteit. Rufin is trouwens meedogenloos voor vrijwel alle diplomaten en ambtenaren, of ze nu van Franse, Turkse of Abessijnse afkomst zijn. Deze consul krijgt, via een jezuïet, opdracht van de Franse koning met een gezantschap naar Abessinië te vertrekken, om dit heidense moslimland tot het ware geloof te bekeren – een opdracht waarbij zijn leven wel eens gevaar zou kunnen lopen en die hij dan ook zonder aarzelen afschuift op de illegaal in Caïro verblijvende arts Jean-Baptiste Poncet. Diens vrijgevochten gedrag is hem toch al een doorn in het oog, zeker nu deze een oogje heeft laten vallen op zijn dochter. Van een verbintenis kan uiteraard geen sprake zijn.

Met de nodige wijsheid, een dosis geluk en veel bravoure onderneemt Poncet de gevaarlijke, maandenlange tocht door de woestijn, in de hoop dat de Franse koning hem als dank in de adelstand zal verheffen. Dan zal hij zijn geliefde kunnen trouwen. Het relaas van zijn tocht door de Egyptische woestijn, de Sinaï, de bergen van Abessinië en van zijn audiëntie bij de negus vormt de kern van het boek. Met veel inlevingsvermogen beschrijft Rufin de zinderende hitte, de weinig spraakzame woestijnbewoners, de macht van degene die heerst over water, bronnen en de handel in rijdieren. Hij legt uit waarom een Abessijn nooit onder de ogen van een ander zal eten en gruwelt met zijn hoofdpersoon over de Abessijnse gewoonte misdadigers levend te villen.

Aan de hand van de vriendschap tussen Poncet en de Ethiopische vorst, die wijzer, vooruitstrevender en minder ijdel is dan de Franse Zonnekoning, schetst Rufin de historische oorzaken van het fundamentele, vijandige onbegrip tussen twee culturen en twee heersers. Handelsmissies zijn welkom in het rijk van de negus, maar met het godsdienstig fanatisme waarmee jezuïeten en capucijnen het islamitische rijk bestoken moet het voor eens en altijd afgelopen zijn. Dat is de boodschap die Poncet aan de Zonnekoning moet overdragen. Op macht beluste tussenpersonen weten de boodschap naar hun hand te zetten en uiteindelijk zal Lodewijk XIV precies de tegenovergestelde mededeling bereiken. Ieder diplomatiek initiatief lijkt daardoor tot mislukken gedoemd.

De Abessijnse geschiedenis kent dan ook nog vele schermutselingen met Europese godsdienstfanaten op bekeringspad. Rufin echter verzint voor Abessinië een andere geschiedenis. Poncet ontpopt zich als een ware Zorro en weet, op elegante wijze, jezuïeten en capucijnen op een dwaalspoor te brengen. Een Franse handelsmissie van op geld beluste bedriegers, die proberen de vrouwen van een Abessijnse stam in te palmen met plastic kralen en lachspiegels, loopt in een fatale hinderlaag. In Rufins versie blijft het land dankzij Poncet gevrijwaard voor verdere buitenlandse inmenging. De held krijgt zijn meisje, zijn vriend krijgt haar vriendin en ze leefden nog lang en gelukkig. Met zoveel romantiek waan je je even in de negentiende eeuw.

Jean-Christophe Rufin: De Abessijn. Uit het Frans vertaald door Jelle Noorman. Atlas, 512 blz. ƒ49,90