Vederlicht en frisgewassen

Identiteit is niet iets om te zoeken, die is er. Belangrijker is het om af en toe aan de eigen identiteit te ontsnappen.

Deel 18 van Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Het beste bed is een hotelbed. Schone, strakke lakens, alles om je heen is algemeen, niets dat je ziet heeft iets persoonlijks, niets is ingevuld. Een hotelbed is een klein paradijs van nietszeggendheid. Als je daar 's avonds het licht uitdoet, is het heel gemakkelijk jezelf los te laten; alle overbekende, dwangmatige gedachten die je in je eigen bed altijd direct bespringen, blijven weg. Anders gezegd, je blijft zelf weg. Het is vreemd en aangenaam leeg in je hoofd. Het plafond, de muren, de contouren van de lamp naast het bed, alles bezit een geruststellende wezenloosheid – onbekend en tegelijk niet bedreigend. Alles wat je denkt, heeft iets fris en witgewassens, net als de lakens waartussen je geklemd ligt. Het is zelfs een beetje alsof je ook een nieuw lichaam hebt.

Je bent het, en je bent het niet.

Er zijn mensen die in het buitenland altijd in hetzelfde hotel dezelfde kamer opzoeken. Ze hebben het gevoel dat ze daar iets achtergelaten hebben, dat er iets van henzelf te vinden is. Ze zoeken bewust de herkenning. Ik begrijp daar niets van. Een hotelkamer kan me niet anoniem genoeg zijn. Nergens anders krijg ik zo sterk het gevoel tijdelijk uit mijn eigen bestaan gestapt te zijn, mezelf even ontsnapt te zijn.

Een extreem gevoel is het niet, meestal ben ik een paar dagen later weer mezelf in mijn eigen bed, met mijn eigen gedachten. Ik zal nooit in hotels gaan wonen, nooit voorgoed voor een zwervend bestaan kiezen. Maar een behoefte is het wel, of noem het een verlangen: jezelf te verliezen, niet in een heftige roes, niet in een totale onderdompeling, maar in een gebied ergens tussen bewustzijn en onbewustzijn in. Je weet dat je je niet langer van jezelf bewust bent, anders kan ik het niet uitdrukken.

Dat klinkt abstract, maar het gevoel is vederlicht. Het onttrekt zich aan al te bewuste, te duidelijke omschrijvingen, aan een pasklare definitie. Vandaar misschien dat je er zo weinig over hoort. De schrijver die het wat mij betreft het mooist in woorden weet te vangen, is Patrick Modiano. In zijn latere boeken vind je een almaar nostalgischer verlangen naar die momenten dat het leven opeens heel licht werd, dat je nog alle kanten opkon, dat geen van je eigen gedachten de wurgende kracht van een vaste overtuiging had, dat je plotseling kon besluiten met X op reis te gaan of bij Y te blijven slapen – in een hotelkamer natuurlijk. Het stikt van de hotel- en pensionkamers in de boeken van Modiano. Er heerst daar een sfeer van ontworteldheid, van levenslijnen die elkaar toevallig kruisen, liefdes die even snel ontstaan als weer verdampen. De stad Parijs is er het symbool van.

In een van de verhalen in Modiano's laatste boek, Des inconnues, krijgt de verteller, een jonge vrouw die voor het eerst in Parijs is, een verhouding met een man van wie ze eigenlijk niets weet. Hij woont in een hotelkamer, waar niets van hemzelf is. Aan het einde van het verhaal, wanneer de vrouw haar minnaar wil opzoeken, ziet ze politieauto's voor het hotel staan – de man zelf ziet ze nooit meer. Ook de lezer komt niet te weten wat er met hem is gebeurd. Hij is verdwenen – misschien zit hij in de gevangenis, misschien is hij op de vlucht, misschien ligt hij in een andere hotelkamer met een ander meisje op bed.

Is het een tragische liefde? Het voelt niet zo. Het verhaal wordt verteld als een herinnering van het meisje dat nu een oudere vrouw moet zijn. De toon is gedempt. De vrouw is iets kwijtgeraakt, maar het is eerder een gevoel dan een man.

Ze verloor haar anonimiteit.

Anonimiteit staat in onze cultuur niet hoog aangeschreven. Sterker, voor de meeste mensen is het de vijand. Wie anoniem is, bestaat niet. Anonimiteit geldt als de tegenpool van dat dwingende, alomtegenwoordige toverwoord: identiteit. Als je geen identiteit hebt, moet je haar zoeken. Je moet jezelf laten zien. Niemand mag zonder gezicht blijven. Jezelf zoeken, jezelf vinden, jezelf zijn: als er tegenwoordig nog een overheersend ideaal bestaat dan is dit het. Zet de televisie aan, en je ziet mensen op zoek naar hun ware ik, naar hun echte vader of moeder, een plekje waar ze zich helemaal thuis kunnen voelen. Gesuggereerd wordt altijd dat deze mensen iets missen en op zoek gaan om het te vinden, alsof ze de legpuzzel van hun persoonlijkheid compleet willen maken. Nooit hoor je dat ze eigenlijk iets willen kwijtraken, namelijk het leven dat ze nu hebben.

Het adoptiekind dat na jaren aan het rijtjeshuis in Bussum ontsnapt en in een armoebuurt van Rio naar zijn echte vader gaat zoeken, zal altijd zeggen dat hij op zoek gaat naar iets dat eigenlijk al van hemzelf is. Terwijl het juist veel geloofwaardiger is dat hij uit zijn eigen leven wil stappen, zijn ware ik achter zich wil laten – tijdelijk, niet voorgoed.

Grappig is dat zoveel mensen een identiteit verzinnen om te ontsnappen aan wie ze allang zijn. Ook zij proberen zichzelf te verliezen, maar ze beweren dat ze zichzelf vinden. Dat gaat op voor de nationalisten met hun bloed-en-bodem retoriek, de New Age-adepten die heel erg op zoek zijn naar zichzelf, de emigranten die hun eigen cultuur bewaren door hem te verzinnen. De dromers verwarren fantasie en werkelijkheid en ontwerpen een geheel nieuw ik – ze worden in de eerste plaats Serviër of Vlaming.

Het is ook een complex idee: waarom zou je zo graag uit je zo zorgvuldig opgebouwde leven willen stappen, als je niet ongelukkig bent? Omdat iedereen die de ervaring zoekt, ook onvermijdelijk zo nu en dan aan de ervaring wil ontsnappen. Tegenover de droom van de aankomst, schrijft Salman Rushdie in zijn nieuwe roman, staat de droom van het vertrek. Je spint je leven als een cocon om je heen. Op een gegeven moment ben je alleen nog maar wie je bent, je kunt niets of niemand anders meer zijn. Je bent niet meer anoniem. Het leven is niet langer licht, je zweeft niet meer. Juist zij die het meest genesteld en gesettled zijn, die het beste weten wie ze zijn, dromen van een nomadisch bestaan.

Sommigen zoeken het onbewustzijn in de roes. Anderen gaan verder en zoeken de zelfvernietiging. Naarmate ik ouder word en mijn leven steviger verankerd raakt, sluit mijn gevoel steeds meer aan bij het werk van Patrick Modiano. Het leven moet geleefd worden, dat is een gegeven, of misschien een opdracht. Je bent wie je bent. Maar er zijn momenten dat je jezelf kunt kwijtraken, dat je uit je eigen leven kunt stappen en weer anoniem kunt worden. Niet alleen weet niemand wie je bent, je weet het zelf niet meer. Je eigen ik wacht thuis geduldig op je terugkomst zoals Penelope wacht op het eiland Ithaka.

Je geest is Odysseus, zeilend, zwevend. Je bent weer even een onbeschreven blad. Je weet ook wel dat je eens terug moet, dat je jezelf niet voorgoed achter kunt laten – dat wil je ook niet. Binnenkort zul je de terugreis aanvaarden. Nog niet, nog niet.