`Politiek moet aan draagmoederschap paal en perk stellen'

Niet de wet, maar de rechter beslist of een `ideële' draagmoeder haar kind mag afstaan. Dat werkt chaos in de hand, vinden rechters.

Het getouwtrek tussen een commerciële draagmoeder en twee homo-wensvaders over hun gemeenschappelijke tweeling toont volgens de Utrechtse kinderrechter Nanneke Quik opnieuw aan dat draagmoederschap kan leiden tot ernstige wantoestanden.

De draagmoeder in kwestie beticht de wensvaders van oneigenlijke bedoelingen en weigert de tweeling af te staan. De mannen eisen de kinderen op en hebben daarvoor advocaat E. Sutorius in de arm genomen. Quik: ,,Van deze toestanden zijn uiteindelijk de kinderen de dupe.''

Quik leidde halverwege de jaren negentig het verzet van enkele kinderrechters tegen de wijze waarop het draagmoederschap in Nederland is geregeld. Zij startten hun verzet nadat CDA-minister Hirsch Ballin in 1993 het commerciële draagmoederschap strafbaar had gesteld. Wie zich hiermee bezighoudt, riskeert sindsien een gevangenisstraf. De kinderrechters betreurden het dat de wetgever niets zei over ideëel draagmoederschap – zonder winstoogmerk. Daardoor komt het nu op de rechters aan om van geval tot geval te bepalen of ideëel draagmoederschap wel of niet doorgang mag vinden – of een draagmoeder ten gunste van de wensouders ontheven mag worden uit het ouderlijk gezag.

Wensouders die het ouderlijk gezag over het kind willen krijgen (die het draagmoederkind werkelijk het hunne willen maken), doen dat via de weg van de `ontheffing'. De ontheffingsregeling is oorspronkelijk bedoeld om ouders die slecht functioneren het ouderlijk gezag te ontnemen. Maar de regeling wordt nu ook toegepast om draagmoeders, die veelal heel goed in staat zijn kinderen op te voeden, van hun kind af te helpen ten gunste van de wensouders. Quik: ,,De ontheffingsregeling wordt opgerekt om draagmoederschap te faciliteren.''

De rechtbank Utrecht weigerde daarom de ontheffingsregeling toe te passen voor draagmoeders. Maar het gerechtshof in Amsterdam bepaalde vorige jaar in hoger beroep dat de regeling wèl gebruikt mag worden voor draagmoeders.

Quik blijft zich eraan storen dat rechters nu het draagmoederschap mogelijk moeten maken terwijl de Tweede Kamer er geen wettelijke regeling voor heeft opgesteld. ,,Bij een dergelijk maatschappelijk belangrijk en gevoelig onderwerp mag je toch verwachten dat de politiek regels en wetten opstelt.''

De Raad voor de Kinderbescherming erkent dat de regeling voor draagmoeders ,,een gekunstelde en oneigenlijke juridische constructie'' is. ,,Maar we moeten er mee werken zolang het niet anders is geregeld'', aldus een woordvoerder. Zij acht een maatschappelijk debat nuttig, ,,om helderheid te krijgen over de situatie.''

De Alkmaarse kinderrechter Monique van den Boogaard, voorzitter van de werkgroep kinderrechters van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, sluit zich hierbij aan. De politiek mag het niet uitsluitend overlaten aan de rechter om te bepalen of een draagmoeder haar kind mag afstaan aan de wensouders. Dat werkt volgens Van den Boogaard rechtsonzekerheid in de hand, omdat de ene rechter wel en de andere rechter weer niet ontheffing voor draagmoeders verleent.

Van den Boogaard wil dat de politiek zich over het draagmoederschap uitspreekt en daarvoor, indien de politiek dat nodig acht, duidelijke wetten of regels opstelt. Van den Boogaard vergelijkt het met de euthanasiediscussie. ,,Het zijn beide heikele maatschappelijke onderwerpen. De wetgever komt er niet uit en laat het over aan de rechter. Dat is wel begrijpelijk, maar het zou niet moeten gebeuren.''