Pensioen

`Hierbij verzoek ik u mij ingaande 1 augustus '99 ontslag te verlenen.' Ik heb het ABP ook al gebeld. `Daar ga je', denk ik voortdurend. O ja, er zijn erger dingen, maar toch.

Al een jaar denk ik over de ongewisse toekomst. Er is een lijstje met wat ik allemaal kan gaan doen en daar staat nog niet eens alles op. Toch een fietsenrek op de auto kopen? Met Kras op vakantie in het laagseizoen, op een terrasje in Rome als ze hier lopen te huiveren in hun winterjas. Eindelijk tijd om uit te zoeken waar het `Groot Nederlands Gepensioeneerden Gamelanorkest' is gevestigd, want ik wilde altijd al gamelan spelen. Kookles, schilderles, lid worden van een tuinclub. Een nieuwe multimediale computer en dan leuk spelen op m'n kamer. Het geluk, eindelijk geluk, lacht me toe. De huiver bekruipt me.

Ik zal straks zeggen dat ik het druk heb, maar er zal geen echte druk meer zijn. Niet meer wachten tussen het blik in de file. Geen ergernis over salaris of de collega of m'n baas. Niet meer de doffe vermoeidheid 's morgens op weg naar m'n werk. Niet meer `het moet morgen af'. Niet meer me voortslepen als ik me gammel voel, omdat ik niet gemist kan worden. Geen meewarig hoofdschudden over de anderen die thuis zitten met ziekte, overspannenheid, pensioen. Wat zal het prettig zijn, wat zal ik het missen.

Nee, ik ben niet echt oud. Glunderend incasseer ik verbaasde uitroepen: `Ga jij met pensioen?' Straks hoor ik bij de generatie die zo maar geld krijgt, terwijl ze al bergen geld heeft. Die begint met nieuwe hobby's, die gekleed in trainingspak en joggingschoenen om 11 uur op woensdagochtend naar de tennisbaan fietst. De mannen kaal en bruin, de roodharige vrouwen gekleed als jonge meisjes. Ik hoor bij de 60-plussers met zeven vrijreizendagen in de trein, met korting in de dierentuin voor mezelf en m'n kleinzoon. Ik ben geen bejaarde, ik zit tussen volwassenheid en ouderdom in, ik ben een tussenganger en zal me ook zo gedragen: als een jeugdige oudere, een oud kind.

Nog tien jaar als alles goed gaat, met heel veel mazzel nog twinig jaar ga ik genieten. Maar er moet een strategie worden ontwikkeld ten opzichte van mijn omgeving. Ga ik zieke vrienden – het zullen er steeds meer worden – bezoeken? Loop ik alle begrafenissen af? En hoe vervang ik de lege plekken rondom mij door verse relaties? Hoe zal ik reageren als straks de dood ook mij aanstaart?