Paperbacks

ANDREW O'HAGAN

Naoorlogse torenflats lijken niet het meest voor de hand liggende gegeven om vragen mee op te roepen over de continuÏteit van tradities, overtuigingen en familieliefde. Toch is dat precies wat de Schotse schrijver Andrew O'Hagan doet in zijn eerste roman Our Fathers, en hij weet het zeer aannemelijk te maken.

Our Fathers schetst de obsessie voor huisvesting van vier generaties van de Schotse Bawn-familie, een obsessie die nauw verbonden is met Schots nationalisme en socialistische idealen, maar ook met individuele daden van rebellie of juist loyaliteit jegens de vaders van de familie. Bij aanvang vertrekt Jamie Bawn, de jongste van de familie en verteller van de roman, naar zijn grootvader Hugh in Ayr, die daar op sterven ligt in een van de flats die hij zelf nog gebouwd had. Jamie is een succesvolle ingenieur in Liverpool die zich juist bezighoudt met het slopen van dergelijke flats, hetgeen de relatie met Hugh aanmerkelijk bekoelde. Maar als klein jongetje verafgoodde hij juist zijn grootvader, Mr Housing, de grote held van de sociale woningbouw. Als dertienjarige liep hij weg van zijn alcoholistische vader en trok in bij Hugh met de bedoeling om in zijn voetsporen te treden. Hugh zette op zijn beurt weer het werk voort van zijn moeder, Effie Bawn, een beroemde activiste die ijverde voor huurverlaging tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het blijkt echter dat idealen radicaal kunnen veranderen, tot woede en ongeloof van Hugh. Jamie merkt echter ook dat continuÏteit met het verleden een voorwaarde is voor de toekomst. Aan het eind van deze prachtig geschreven roman is hij tegen zijn verwachting in (hoewel niet die van de lezer) verzoend met zijn verleden, toekomst, zichzelf en diverse familieleden. Maar misschien is dat wel inherent aan dit soort familiesaga's.

Andrew O'Hagan: Our Fathers.

Faber, 229 blz. ƒ27,95.

NIK COHN

Nik Cohn staat bekend als schrijver van een aantal boeken over rock-'n-roll, waaronder Awopbopaloobop Alopbamboom, en het verhaal waarop de film Saturday Night Fever is gebaseerd. Van de opbrengsten kocht Cohn een rustieke zeventiende-eeuwse Engelse cottage, waar hij ruim twintig jaar naar alle tevredenheid woonde, zo vertelt hij in de inleiding bij zijn nieuwe boek, totdat hem zelfs in die beschermde uithoek tekenen van een veranderde samenleving begonnen te bereiken. Cohn besloot er weer eens op uit te trekken om te zien wat er van Engeland was geworden, en doet daar verslag van in Yes We Have No. Adventures in Other England.

In Londen doet Cohn een `research assistent' op in de vorm van Mary, een jonge Ierse vrouw met als belangrijkste eigenschappen lef, een onbedwingbare nieuwsgierigheid, roekeloos rijgedrag en een voorkeur voor harde techno. Samen trekken ze door het land in wat alleen maar beschreven kan worden als `joyriding', zoals een van de hoofdstuktitels luidt. Het logische onderwerp van hun onderzoek zijn outsiders, in welke vorm dan ook. Dat voert ze van skinheads naar `travellers', van Jamaïcaanse criminelen naar de Asian Underground, van mijnwerkers naar fetisjisten en talloze andere interessante individuen. Cohn verwerkte geen grote ideeën in zijn verhaal, maar laat vooral de mensen zelf aan het woord, en voegt daar zijn eigen bevindingen aan toe. Het resultaat is meer dan fascinerend, en er rijst wel degelijk een algemeen beeld op uit de verschillende verhalen. Die zijn niet allemaal even sterk, maar bijvoorbeeld de ontmoeting met vakbondsleider Arthur Scargill is een absoluut hoogtepunt, evenals het hoofdstuk over nieuwe religieuze ontwikkelingen. Cohn geniet duidelijk van zijn trip en spreekt herhaaldelijk zijn verwondering uit over wat hij aantreft: `a new land, full of wonders ... The scattered outsiders I'd found on my first travels, back in the sixties, had swelled into an army.' Misschien heeft hij gewoon wat te lang in zijn cottage geschuild.

Nik Cohn: Yes We Have No. Adventures in Other England. Secker & Warburg, 357 blz. ƒ39,90.

LANA CITRON

Het omslag van Lana Citrons debuutroman Sucker voorspelt weinig goeds. Een glanzend zilveren voorkant, op de achterkant omschrijvingen als `twenty-something' en `dating', en dan ook nog die titel: hoogstwaarschijnlijk het zoveelste slappe aftreksel van ofwel Irvine Welsh ofwel Helen Fieldings Bridget Jones ofwel beide, inmiddels een brouwsel van homeopathische sterkte waarmee Groot-Brittannië al weer een paar jaar de boekwinkels overspoelt. Niets is minder waar. Al na een paar bladzijden is duidelijk dat het hier op z'n minst een Bridget Jones noir betreft, bovendien is het bijzonder oorspronkelijk geschreven.

In het eerste hoofdstuk wordt de lezer meteen al geconfronteerd met een uiterst ongemakkelijke beschrijving van wat misschien wel een verkrachting is. Er is niet precies duidelijk of het gaat om een nachtmerrie, een fantasie of gewoon een blik uit het raam van de ik-figuur. De scène lijkt dan op de achtergrond te verdwijnen terwijl we kennismaken met de twee belangrijkste personages. Bea is het conventionelere type, wil wanhopig graag trouwen voor haar dertigste en maakt voortdurend lijstjes met de voor- en nadelen van haar huidige relatie. Ze lijkt vooral bedoeld als contrast met de veel interessantere ik-figuur, een afgestudeerde uitzendkracht die zich eigenlijk laat onderhouden door een rijke, oudere minnaar en verdomd goed weet dat het fout zit. In de loop van de roman, die behoorlijk wat komische momenten kent, wordt de toon steeds serieuzer naarmate meer van het verleden van de meisjes naar boven komt, en duidelijk wordt dat de verteller gaat getuigen in een verkrachtingszaak.

De werkelijke originaliteit van Sucker ligt in het taalgebruik. Citron, afkomstig uit Dublin, heeft een scherp oor voor spreektaal en heeft haar personages zeer individuele stemmen meegegeven. Op haar best is ze in de geestige, intelligente gedachtestroom van de ik-figuur, waarin ze speelt met alliteratie en verschuivende betekenissen, of bijvoorbeeld een verwijzing naar Lewis Carroll (`furiouser and furiouser'), terwijl tegelijkertijd veel impliciet wordt gelaten: een stijl die rekent op de goede verstaander.

Lana Citron: Sucker. Vintage,

229 blz. ƒ27,95.

TOBIAS HILL

Veel Londenaren hebben een haat-liefdeverhouding met hun roemruchte Underground: te vol, vermoeiend, benauwend, een noodzakelijk kwaad. De romantiek van de Underground laat zich echter niet ontkennen, in z'n oude, eindeloos vertakte tunnelsysteem, karakteristieke stations, intrigerende namen,steeds andere mensenmassa's; een wereld op zich ergens tussen het Victoriaanse tijdperk en sciencefiction in. Vreemd genoeg heeft vóór Tobias Hill geen andere schrijver eraan gedacht om deze alledaags-exotische microkosmos tot onderwerp van een roman te maken. De Londenaar Hill (1970) schreef eerder verschillende bekroonde dichtbundels en een verhalenbundel, en was een jaar lang de `huisdichter' van de London Zoo. In zijn debuutroman Underground buit hij het literaire potentieel van die andere Londense instelling ten volle uit.

Hoofdpersoon van de roman is de 28-jarige Casimir, een Poolse immigrant die al acht jaar in de Underground werkt. Casimir heeft niet echt een leven buiten dat ondergrondse bestaan opgebouwd, maar dat past hem: hij beschouwt de tunnels als een toevluchtsoord. Dan raakt hij geïnteresseerd in een door de stations zwervend meisje met blonde dreadlocks dat hem ertoe brengt zijn zelfgekozen isolement op te geven. Er blijkt zich namelijk opeens iemand in de Underground op te houden die precies zulke frêle blonde meisjes van de perrons duwt, op de onder hoogspanning staande rails. Casimir wil haar beschermen, en begeeft zich daartoe na zijn werk steeds dieper in verlaten tunnels en in onbruik geraakte stations, op zoek naar het meisje en naar de moordenaar. Tegelijkertijd krijgt de lezer stukje bij beetje het verhaal van Casimirs Poolse verleden te horen en de reden waarom hij zijn familie daar heeft verlaten, waarbij antisemitisme geen onbelangrijke rol blijkt te spelen.

Hill weet hier op weergaloze wijze de sfeer van de Underground te vangen, in de zoemende rails, de echo's, omgeroepen mededelingen, flarden van gesprekken, de warme windvlagen, de geur van kalk, water, mensenmassa's, en vooral in het menselijk wrakhout dat er aanspoelt. Het is de dreigende, donkere sfeer van een labyrintische, haast organische plek waar, zoals een personage zegt, puur door de zwaartekracht alle vuiligheid uiteindelijk belandt. Door zich van het strikt realistische op het mythische vlak te begeven, versterkt door summiere verwijzingen naar Orpheus of Persephone, houdt Hill ook zijn moordenaar geloofwaardig: griezels houden zich immers traditiegetrouw op in zulke krochten. Daarnaast zijn de Poolse delen van de roman minstens zo goed. En hoewel die twee verhaallijnen haast teveel lijken om in één boek te stoppen, slaagt Hill er wonderwel in ze tot een indrukwekkend geheel te smeden.

Tobias Hill: Underground. Faber, 248 blz. ƒ20,95

Eerder als hardback besproken in deze krant:

John Updike: Bech at Bay. A Quasi-Novel. Penguin, 241 blz. ƒ20,95

Deze verzameling geestige en elegant geschreven verhalen over Updikes alter ego vormt het derde deel van de Bech-trilogie. `Een genadeloos, maar vermakelijk portret van een zeventigjarige schrijver, verdwaald in de digitale jaren negentig.' (Hans Hoenjet, 20-11-98)