Nieuw museum moderne kunst in Gent

Bijna 25 jaar was de door museumdirecteur Jan Hoet opgebouwde collectie hedendaagse kunst dakloos, maar vanaf morgen heeft zij een dak boven het hoofd in het nieuwe Stedelijk Museum voor Actuele Kunst in Gent. Alle bekende namen zijn present op een overvolle tentoonstelling.

Op de toegangsweg naar het SMAK, het nieuwe Stedelijk Museum voor Actuele Kunst in Gent, hangt een wat groezelige poster waarop een bokswedstrijd wordt aangekondigd. `Dennis Bellone challenging Jan Hoet to fight for Art' staat er op; het gevecht vindt plaats op 8 mei in het kader van de openingsfestiviteiten van het museum. Hoewel Bellone en Hoet de toeschouwer op de poster allebei vervaarlijk aankijken lijkt het nauwelijks een vraag wie sterker moet worden geacht – de 63-jarige Hoet moet een makkie zijn voor Bellone, een Amerikaanse kunstenaar die slechts 37 is. Maar wie de directeur op de eerste dag van de opening aan het werk ziet begint daar aan te twijfelen. Onvermoeibaar loopt hij door de zalen, praat met journalisten, neemt beslissingen over de plaatsing van kunstwerken, overlegt met nieuw bewakingspersoneel en vindt nog de tijd om grappen te maken met een medewerker over de verlangde broodjes filet américain. En ondertussen rookt hij de ene sigaret na de andere.

Dat hij ook nog eens in een bokswedstrijd figureert bevestigt voor veel Belgen het beeld van Hoet als mediabeluste museumdirecteur die altijd zijn woorden klaar heeft en overal opduikt. Maar wie hem in zijn nieuwe museum bezig ziet begrijpt dat Hoet de media ook nodig had om zijn doel te bereiken: het verwerven van een eigen gebouw voor zijn collectie, die in 1975 werd gesticht. Nu het, na bijna 25 jaar, zover is moet je wel een enorme Hoet-hater zijn om hem zijn finest hour te misgunnen. Het museum ligt er fraai bij en de collectie die de directeur in die 25 jaar heeft opgebouwd mag er wezen.

Dat Hoet en zijn staf nog ooit een eigen onderkomen zouden hebben is lang onzeker geweest. Er was geen geld, de Belgische overheid liet de voorkeur uitgaan naar het Museum voor Hedendaagse Kunst in Antwerpen en in Gent was geen geschikte locatie te vinden. Dat in 1995 uiteindelijk het uit 1948 daterende Casino-gebouw vrijkwam was een mooie samenloop van omstandigheden – het pand was groot en bruikbaar en bovendien gelegen tegenover het Museum voor Schone Kunsten, de instelling die Hoets dakloze collectie enkele jaren onderdak had geboden. Wel was er een ingrijpende verbouwing nodig om het Casino als museum geschikt te maken. Dat begon met de bouw van de depots, zodat de collectie in ieder geval op eigen terrein kon worden opgeslagen. Vervolgens werd onder leiding van de Gentse stadsarchitect Koen Van Nieuwenhuyse het gebouw onder handen genomen.

Van Nieuwenhuyse maakte er, zoals Hoet zegt, geen prestige-object van, `waarbij het gebouw zelf als architecturale prestatie centraal staat' maar een rustig gebouw met 4000 vierkante meter tentoonstellingsruimte, zalen van verschillend formaat, witte wanden, vloeren van parket of leisteen en gevarieerde belichting. Bovendien verwierf het museum het recht op het gebruik van de aanpalende Florahal, een immense ruimte die vroeger werd gebruikt voor bloemenveilingen, nu voor ontvangsten en exposities van grote kunstwerken. Op de openingstentoonstelling is er onder andere een enorm beeld van Panamarenko neergezet, een forse installatie van Suchan Kinoshita en een werk van de Nederlandse kunstenaar Mark Manders dat normaal groot genoeg is om een stevige museumzaal te vullen; in de Florahal kijk je er makkelijk overheen.

Op de openingstentoonstelling, die beide verdiepingen van het museum beslaat, is goed te zien hoe blij Hoet en zijn medewerkers met hun nieuwe onderkomen zijn. Iets té blij, ben je zelfs geneigd te denken, want het lijkt wel of de SMAK-staf het als eerste opdracht heeft gezien zoveel mogelijk werken in de zalen te proppen. Na 25 jaar is dat misschien begrijpelijk, maar de tentoonstelling is er een visueel en kunsthistorisch mer à boire geworden waarin de toeschouwer gemakkelijk het overzicht verliest. Als er al iets duidelijk uit wordt dan is het dat Hoet de afgelopen jaren vooral erg breed heeft ingekocht. De Opening laat zich lezen als een moderne kunstgeschiedenis voor beginners die begint met Hoets `godfathers' Beuys, Warhol en Broodthaers. De eerste twee delen een zaal op de bovenverdieping; Broodthaers heeft op de benedenverdieping een eigen ruimte tot zijn beschikking waarin onder andere zijn Grande casserole de moules (1966) staat opgesteld, een enorme, gevulde pan met mosselen.

Vervolgens begint de SMAK-collectie echter wel erg veel te lijken op die van al die uitwisselbare Duitse musea. Sterker nog, in Gent zijn werkelijk alle usual suspects te vinden: Richard Long, Mario Merz, Dan Flavin, Jannis Kounellis, Lucio Fontana, Donald Judd, Sol LeWitt, Carl Andre, Luciano Fabro, Gilbert & George, Gerhard Richter, Lawrence Weiner, Bruce Nauman – en de een met duidelijk beter werk dan de ander. Naumans carrousel van gele, versneden beesten is bijvoorbeeld prachtig, net als Richters vroege schilderij van een foto van een piramide. Maar de werken van Flavin, LeWitt, Gilbert & George en Kounelis zijn inwisselbaar – hier is meer op naam gekocht dan op kwaliteit.

Het is dan ook veelzeggend dat de verrassendste werken van internationaal iets minder courante kunstenaars zijn. Zo heeft het SMAK de allermooiste Thierry de Cordier die ik ken: De Bewaker van onze Groentetuin, een geheimzinnige vogelverschrikker met een bord om zijn nek; en ook een cruciaal werk van Ilya Kabakov: Die Toilette, een tien meter lange wc met waarin tussen zes toiletdozen het huisraad van een compleet Russisch gezin staat uitgestald, door Kabakov gemaakt voor de door Hoet georganiseerde Documenta IX.

Het aardige van de SMAK-collectie is bovendien dat Hoet niet alleen leeftijdsgenoten heeft aangekocht. Zo is op De Opening een beeld te zien van de Duitse provocateur Andreas Slominski, die voor het plaatsen van een piano met krukje een stuk muur heeft weggebroken, en een nieuw werk van de Zwitserse Pipilotti Rist: een film, geprojecteerd op witte keukenkastjes, van een naakte vrouw die op een grasveld ligt; over haar heen druppelt zachtjes de regen.

Met de aankoop van zulke werken schept Hoet in ieder geval een duidelijk toekomstperspectief voor het SMAK. Dat leek even lastig te worden: het museum ontleende zijn identiteit ten slotte altijd aan zijn prominente directeur en het feit dat het dakloos was. Nu het gebouw er staat en Hoet over anderhalf jaar met pensioen gaat dreigt het SMAK ineens een `gewoon' museum te worden. Dat zal wennen zijn, voor staf en bezoekers. Gelukkig bieden gebouw en collectie genoeg mogelijkheden om de geest die Hoet door Gent heeft gejaagd levend te houden.

SMAK, Citadelpark, Gent. Di t/m zo 10-18u, elke eerste woensdag van de maand tot 21u. De openingstentoonstelling De Opening duurt t/m 5/12. Catalogus 272 pag. 1200 Bfr. Inf.: 0032-9-2211703.