Niet naar de natuur, maar als de natuur

Beeldend kunstenaar Wim de Haan verwerkte en koesterde zijn oorlogservaringen in zijn vaak angstaanjagende tekeningen en assemblages.

Onmiddellijk na het betreden van de Verweyhal aan de Grote Markt in Haarlem, stuit men met zijn blik op het object `De Gehangene'. Het is een verontrustende assemblage van een grote nis in een stuk muur; in de nis is een man, in spijkerkleding en daardoor heel dicht bij ons, aan zijn linkervoet opgehangen. Zijn hoofd verdwijnt achter de basisrand van de nis. Dat is maar gelukkig ook want bij nader inzien blijkt de man geen hoofd te hebben. Het kunstwerk moet gemaakt zijn door een gekweld man. Dat wordt elders op deze aan Wim de Haan (1913-1967) gewijde overzichtstentoonstelling bevestigd door andere tekeningen, schilderijen en in het bijzonder door zijn assemblages. Daarin keert de dreiging van marteling en dood met regelmaat terug. Zoals in `L'Innommable' waarin ook een nis, nu in een met een rose licht-schaduw-spel beschilderd vlak. In de uitsparing een bebloede torso, een van hoofd en armen ontdaan bovenlijf. Of de uit afvalhout vervaardigde kruisen. Een ervan heet `God' en kijkt ons met twee felle ogen aan.

Het directe verband tussen dergelijke uitingen en de persoonlijke geschiedenis van de kunstenaar ligt voor de hand als uitsluitende verklaring van zijn werk. Er is meer, er moet sprake zijn van een oorlogstrauma dat niet alleen verwerkt werd, maar in zekere zin ook vertroeteld als inspiratiebron en als durende stimulans van een filosofisch zoeken naar lijnen in de chaos der gebeurtenissen uit verleden en heden.

Wim de Haan is jarenlang krijgsgevangene van de Japanners geweest, voor een groot deel als dwangarbeider aan de beruchte Birmaspoorweg. Het heeft hem op een ademtocht na het leven gekost, zodat hij in 1946 als een gebroken, doodzieke man in Nederland werd binnengedragen. Zoiets is al voldoende om een leven blijvend te tekenen, maar Wim de Haan werd bovendien nog beheerst door het idee-fixe dat hij op zijn 53ste jaar zou overlijden. Dat was zijn grootvader en vader ook overkomen. Toen Wim de Haan in zijn 54ste levensjaar de sterfdag van zijn vader had overleefd werd dat gevierd. Samen met zijn vrouw Mia ging hij een antieke secretaire kopen, waar ze al langer hun zinnen op hadden gezet. Vlak daarna bezweek hij aan een erfelijke aderzwakte.

Ik ontleen deze bijzonderheden aan de monografie/oeuvrecatalogus die bij de tentoonstelling in Haarlem is verschenen. Diverse auteurs behandelen het werk en leven van deze kunstenaar die ten onrechte vrij onbekend is gebleven, onder meer doordat hij altijd in de schaduw van zijn vriend Jaap Wagemaker stond door wiens materiekunst hij werd beïnvloed.

Wim de Haan bleef vooral een in de eigen beperkte kring van collega's erkend en ook bewonderd man. Hij ging zijn eigen baan, zijn verf mengend met as uit zijn potkachel, zand en zaagsel,ter verkrijging van een ruwe structuur en om de glans van de olieverf te verminderen. Hij kon zijn gang gaan doordat zijn vrouw Mia grotendeels de kost verdiende.

Chaos

In het boek zijn ook gedichten, verhalen en getuigenissen van De Haan zelf opgenomen die hier en daar zeer verduidelijkende zinnen over zijn opvattingen en werk bevatten.

Op een paar foto's van zijn atelier in de Amsterdamse Utrechtsedwarsstraat is te zien dat de chaos compleet was. De wanden waren besmeurd, de houten vloer werd bedekt door een decimeter dikke laag van rotzooi: proppen papier, oude lappen, beschimmelde theezakjes, pigmenten, zand. Er ontstonden `geologische lagen', aldus een bezoeker, een organisch geheel van chaos. Hetgeen weer past bij een in diverse toonaarden geciteerde bewering van de kunstenaar: ,,Ieder stuk dat ik gemaakt heb, heb ik zelf uit de chaos moeten lospeuteren.''

Uiteraard doelde hij daarmee niet alleen op de letterlijke bende in zijn atelier, al kon hij daaruit veel beeldend materiaal van de grond oprapen, maar ook op de verwarring in zijn hoofd, waarin de indrukken van het heden verkleurd en vervormd werden door die uit het verleden.

Het verblijf in de Jappenkampen zou zijn persoonlijkheid veranderen maar zeker niet alleen in negatieve zin. Het zou, zegt hij zelf, in zijn verdere leven `een betekenis krijgen, namelijk de zin die ik er aan geven zou'.

Wim de Haan beschrijft in een van de stukken, die in de catalogus staan afgedrukt, dat hij in het kamp doodziek onder een afdak van kokospalmenbladeren lag en in een schemertoestand in een soort visioen ervoer dat hij het zou halen en dat hij zijn leven een andere zin zou geven die niets te maken had met de wereld zoals hij die kende. Er waren meer van die ervaringen: ,,Voor deze mensen was de blik die zij in het graf geslagen hadden achteraf een soort openbaring, een nieuw inzicht en voor hen heeft het leven aan werkelijkheid en aan diepte gewonnen.''

Overigens zou hij al deze gedeeltelijk traumatische ervaringen pas na zijn veertigste jaar in beeldende kunst gaan onderbrengen en ordenen. Daarvoor had hij allerlei baantjes in de handel, studeerde hij psychologie en werd bedrijfspsycholoog en – met zijn vrouw Mia samen – zelfs leider van een tehuis voor moeilijk opvoedbare kinderen. Tekenen en gouaches maken deed hij toen weliswaar al, maar dan als arbeidstherapie. Achteraf gezien blijkt dat hij al snel steeds meer de kant van de kunst als enige levensdoel opdreef. In Haarlem en Amsterdam zocht hij zijn vertier en vrienden in kunstenaarsgroepjes zoals Cobra en de Vijftigers, op de bijeenkomsten in het trefpunt Le Canard, dat ook een galerie van de avant-garde was. Tijdens reizen, en vooral ook door zijn grote en brede belangstelling en leeslust, nam hij kennis van stromingen en stelsels. Uit al deze invloeden zou hij zijn eigen beeldtaal ontwikkelen, waarin, zoals het overzicht in Haarlem duidelijk laat zien, zijn bronnen veelal herkenbaar blijven: het surrealisme van Mirò, bijvoorbeeld diens amoebe-achtige beweeglijke oervormen die het leven door slierten en draden uitdragen, de grottekeningen van dieren uit de verre oudheid, maar ook de materiekunst van Tapiès en Wagemaker, misschien ook de vervormingen van Bacon, het werk van Bogart en Klee. Hij stelde zich voor al deze invloeden open, niet om ze direct na te volgen maar om ze op hun waarde en bruikbaarheid te taxeren en in zijn eigen beeldtaal in te passen.

Autodidact

Afgezien van een cursus `vrijmakende technieken' op de Werkschuit in Amsterdam is De Haan auto-didact, die al kijkend en lezend de eerder genoemde kunstenaars tot zijn privé-leermeesters maakte. Hij werd in zijn werk ook gestuurd door een hang naar het mystieke, een afkeer van de ratio, een voorkeur voor het gevoel. Ook de mystiek en vermeende krachten in de Oosterse spontaniteit interesseerden hem. Zijn studie psychologie, nog eens versterkt door zijn psychiatrisch geschoolde echtgenote Mia deden in dit alles uiteraard ook hun invloed gelden.

De overzichtstentoonstelling heeft drie gedeelten, overeenkomend met de fasen in zijn ontwikkeling. In het eerste gedeelte gaat het om de tekeningen, al of niet in de sfeer van de écriture automatique, waarin de tekenstift schijnbaar gedachtenloos wordt gestuurd. Maar er hangen ook gewone `bewuste' tekeningen, met een fijn, scherp pennetje neergezette figuurtjes en kleine composities, soms bizarre banen volgend, soms bedacht, logisch maar altijd grillig. Alles hangt altijd met alles samen. Soms lijkt het erop dat Pieter Ouborg aanwijzingen heeft gegeven. De bladen vertonen een zoektocht naar het begin van alle dingen, een tasten naar sporen en dwarsverbanden die in het verborgene van onszelf en van het heelal het leven bepalen. Het zijn onmogelijke zonnestelsels die toch bestaan.

Er is over De Haan gezegd dat hij niet náár de natuur werkte maar áls de natuur. Zeker in zijn materieschilderingen lijkt dat inderdaad het geval. Zijn materiaal ontstaat er, als in een versneld natuurlijk proces, uit zijn zelf samengestelde verven, met onder meer gezeefde as, zand en zaagsel van eikenhout dat een mooie warme rode kleur heeft. Zijn doeken worden geprepareerd met bijvoorbeeld in water opgeloste korrels houtlijm waarin verfpoeder wordt gestort. Later zouden ook stukken jute in de massa worden opgenomen. Veel van deze onthullende bijzonderheden zijn ontleend aan een ongeveer vijftien jaar geleden verschenen monografie over Wim de Haan. In het nieuwe boek wordt slechts bij de bespreking van de afzonderlijke schilderijen af en toe op de techniek ingegaan. Dat is jammer want een mooi, compleet hoofdstuk over zijn basistechnieken zou veel kunnen verduidelijken over de gedachten die De Haan in zijn werken verborg. De materialen immers hadden voor hem een geheimzinnige, magische betekenis.

Zijn schilderijen, soms in aardkleuren, soms ook met fel oplichtende okers lijken zorgvuldig geprepareerde geologische monsters, stukjes uit onbekende diepten opgedolven bewijzen van hevige processen.

Op zeker moment heeft De Haan niet langer genoeg aan het platte vlak. Hij maakt er nissen in, deuren, of juist verhevenheden, zodat er reliëfs ontstaan maar ook hangende beelden. Objets trouvés worden aan de verfpasta's toegevoegd.

Brokken verweerd hout zijn in ruwe menselijke vormen gezaagd die de symboolwaarden van totems krijgen. Ze bezweren dwanggedachten en angsten. Ze worden gecombineerd met enorme spijkers, poppenogen, kettingen, stukken touw, dierenskeletten. Er ontstaan dwingende voorstellingen die gestalte geven aan wat er in het gekwelde onderbewuste kan woelen en pijn doen. Zoals gezegd: totems. Wat werd weggeworpen en weer aanspoelde komt samen in deze pijn bezwerende mystieke wezens.

Een enkele keer werkt De Haan lichtvoetiger, haalt hij zelfs zoiets als een grap uit al blijft het meestal gissen naar wat hij betoogde. Zoals met de assemblage `De Pianolerares' waarin een stuk van een pianotoetsenbord met bijbehorende houten hamertjes het hoofd is van een figuur die de snaren als haren kreeg en een paar balpoten als benen.

Er zijn meer beeldend kunstenaars die werken met schroot en afval, die het weggeworpene en nutteloze verenigen in een nieuwe zin. Zoals bijvoorbeeld Jo Claassen die in De Peel gevonden botten, takken en hele dierenlijkjes in zijn kunst verwerkt. Toch is zijn betoog een ander dan dat van De Haan. Bemoeit de een zich met de puur natuurlijke elementen als regen en wind, sterven en gegeten worden, met de natuur dus, de ander gebruikt de overeenkomstige oermaterialen in de gestalten van zijn eigen innerlijke onrust. Verschillende mensen dus, precies als de schilders die aan olie- en waterverf genoeg hebben.

Wat Wim de Haan nastreefde kan misschien blijken uit een van zijn gedichten:

,,Nauwkeurigheid van uitdrukken is de belangrijkste/ voorwaarde/ heeft echter het grote bezwaar de begrijpelijkheid te schaden.''

Wim de Haan (1913-1967), een overzicht, tot 21 juni in de Verweyhal, Grote Markt, Haarlem. Ma t/m za 11-17 uur, zon- en feestdagen 12-17 uur. Catalogus ƒ65,-