Moslimhaat bedreigt evenwicht Balkan

Het akkoord dat de G8 gisteren in Bonn sloot over de toekomstige oplossing van de Kosovo-crisis maakt geen eind aan de haat tussen Serviërs en Kosovaarse Albanezen. Raymond Detrez meent dat de Serviërs niet zullen rusten zolang op hun grondgebied nog Albanezen leven die zich niet volledig hebben onderworpen aan hun dominantie.

In de jaren veertig van de vorige eeuw ontstonden op de Balkan twee `grote ideeën'. De ene ontsproot uit de verbeelding van de Griekse minister Yannis Kolettis en heette `de grote idee' (megali idhea). Kolettis wilde het herstel van de Griekse wereld in de vorm van het Byzantijnse Rijk of het geografische verspreidingsgebied van de antieke beschaving. De andere `grote idee' was het Ontwerp (Nacertanije) van de Serviër Ilija Garaanin. Hij wilde het herstel van het 14de-eeuwse Servische rijk van tsaar Stefan Dušan.

In de tweede helft van de 19de eeuw schoten de `grote ideeën' als paddestoelen uit de grond: Groot-Bulgarije, dat ook heel Macedonië en een deel van het huidige Grieks- en Turks-Thracië moest omvatten; Groot-Kroatië, waarvan minstens ook Bosnië deel zou uitmaken; Groot-Albanië, dat moest bestaan uit Albanië, Kosovo, een deel van Macedonië en van (Grieks-)Epirus.

Wie de moeite neemt deze ambitieuze projecten op de kaart uit te tekenen, stelt vast dat er veel overlappingen zijn: gebieden met een gemengde bevolking, die door twee of meer staten opgeëist werden. In de meeste gevallen werd de ongewenste bevolking nog tijdens de `bevrijding' geliquideerd of naderhand door middel van een repressief minderhedenbeleid (zoals gedwongen emigratie of gedwongen assimilatie) weggewerkt.

De vestiging van de nationale staten op de Balkan werd bemoeilijkt door een aantal bijkomende omstandigheden. De `grote ideeën' omvatten namelijk méér dan alleen de creatie van etnisch-homogene eigen staten. Bulgaren, Grieken en Serviërs beschouwen de stichting van hun respectievelijke nationale staat veeleer als het herstel van hun middeleeuwse staat, zoals die bestond voor de komst van de Ottomanen aan het einde van de 14de eeuw. Ze beschouwen de Ottomaanse periode (14de-19de eeuw) als een `vreemde' periode in hun nationale geschiedenis, als een breuk in hun `natuurlijke' historische ontwikkeling. Met het `herstel' van de nationale staten in de 19de eeuw moest de Ottomaanse periode ongedaan gemaakt worden.

Dat ongedaan maken gebeurde op vele manieren. In de eerste plaats door de Turken en hun `collaborateurs' – allen moslims – te verdrijven of hun het leven onmogelijk te maken. Al tijdens de Servische opstanden en de Griekse onafhankelijkheidsoorlog in de jaren dertig van de vorige eeuw werden Turken en moslims afgeslacht of verdreven; tijdens de Russisch-Turkse oorlog van 1877-'78, die Bulgarije de onafhankelijkheid bracht, `verdwenen' 800.000 Turken en Bulgaarssprekende moslims uit Bulgarije.

De enige plaatsen op de Balkan waar thans nog compacte islamitische bevolkingen leven zijn Bosnië, de Sandzak, Kosovo, Albanië en Zuid-Bulgarije. Het gaat hier telkens om gebieden die tot aan de Balkanoorlogen (1912-'13) Ottomaans gebleven zijn, of althans niet in het bezit kwamen van de nieuwe christelijke Balkanstaten (Bosnië was een Habsburgs protectoraat). In die gebieden hebben Bulgarije, Griekenland en Servië niet de gelegenheid gehad de moslims te verdrijven. Na de Eerste Wereldoorlog werd voor het eerst serieuze internationale druk uitgeoefend met het oog op de bescherming van religieuze en etnische minderheden en konden deze niet meer zo makkelijk geëlimineerd worden.

Het herstel van de middeleeuwse staten uitte zich niet alleen in etnische zuiveringen, maar ook in de sloop van moskeeën en andere religieuze gebouwen, de vernietiging van islamitische begraafplaatsen en dergelijke. Turkse namen van steden, dorpen, rivieren en bergen werden vervangen door Griekse of Slavische. Ook de taal werd gezuiverd van Turkse en Arabische woorden, en in een aantal gevallen werd zelfs gepleit voor de invoering van een standaardtaal die dicht bij het `pre-Ottomaanse' Byzantijnse Grieks of het Kerkslavisch stond. De afwijzing van het Ottomaanse verleden en de verwijdering van moslims en van islamitische culturele invloeden maakten en maken integraal deel uit van de nationale bewustwording en de staatsvorming op de Balkan. Zelfs de Albanezen, van wie zeventig percent islamitisch is, wijzen de Ottomaanse erfenis resoluut af – lees de romans van de Albanese schrijver Ismail Kadare er maar op na –, maar ze onthouden zich van een anti-islamitisch discours. Overigens leggen de Kroaten ten aanzien van `de Balkan', waaronder zij vooral de orthodoxen verstaan, dezelfde houding aan de dag als de Serviërs ten aanzien van het Ottomaanse verleden: zij hebben hun grondgebied even grondig gezuiverd van Serviërs en hun taal van `Servische' woorden.

De houding van de Serviërs ten aanzien van de Kosovaren heeft veel te maken met deze voor de Balkan typerende manier waarop met minderheden, en in het bijzonder met islamitische minderheden, wordt omgegaan. De Kosovaarse Albanezen van vandaag zijn voor de Serviërs de nazaten van de islamitische collaborateurs uit het verleden; de schade die zij de Servische zaak toebrachten, zal pas ongedaan gemaakt zijn, wanneer op Servisch grondgebied geen Kosovaarse Albanezen meer leven of als de Kosovaarse Albanezen zich volledig onderworpen hebben aan de Servische dominantie. Inspraak en beslissingsmacht voor de Kosovaarse Albanezen roepen in de Servische verbeelding de herinnering op aan het `Turkse juk'; discriminatie van de Kosovaren, inclusief `etnische zuiveringen', zijn in de ogen van de Serviërs hun verdiende loon en onbetekenend vergeleken met wat het Servische volk onder de Turken geleden heeft.

Deze visie op het nationale verleden wordt op de Balkan door te weinig historici in twijfel getrokken en vindt thans zelfs een rechtvaardiging in het modieuze Westerse discours over `eigenheid'.

Het spreekt vanzelf dat deze excursie naar het Servische nationale bewustzijn geen verontschuldiging is voor misdaden als etnische zuiveringen. Maar zij kan wel helpen begrijpen hoe de Servische publieke opinie, dus de Servische kiezer, tegenover de `Kosovaarse kwestie' staat, en waarom Servische politici zulke onverzoenlijke standpunten verdedigen. Het Servische optreden in Kosovo heeft nog andere oorzaken dan de vermeende waanzin en bloeddorst van dictator Miloševic. Het was verstandig geweest daar rekening mee te houden bij het uitwerken van een strategie.

In Bulgarije en Griekenland, waar dezelfde visie op het nationale verleden domineert, bestaat een grote solidariteit met de Serviërs, die als gevolg van de bombardementen alleen maar toeneemt. Die solidariteit uit zich in manifestaties tegen de NAVO, maar ook in een zorgwekkende toename van de vijandigheid ten aanzien van de eigen islamitische minderheden. Déze escalatie van het conflict brengt in de buurlanden van Joegoslavië een aantal zeer delicate en met grote moeite bereikte politieke evenwichten in gevaar.

Prof.dr. Raymond Detrez is hoogleraar Oost-Europese geschiedenis aan de Universiteit Gent.