Kent iemand van jullie `Herenleed'?

Op de eerste Nederlandse Cabaretacademie leren studenten om te zwijgen, zich niet te krabben, komisch te bewegen.

,,Leuk zijn kun je niet leren'', vindt cabaretregisseur Bert Klunder. Dat weerhield hem er niet van hoofddocent te worden aan de eerste Nederlandse Cabaretacademie. In het Rotterdamse Theater Zuidplein geeft hij elke maandagavond les aan een klas middelbare scholieren. ,,Ik kan ze niet leren grappig te zijn, maar ik kan ze wel een werkplaats bieden waar ze aan hun brommertje kunnen sleutelen.'' Op 31 mei sluit de Cabaretacademie zijn eerste jaar af met een openbare les.

Cabaretiers spelen de laatste jaren in het hele land voor uitverkochte zalen. Vooral onder jongeren is cabaret populair en velen dromen ervan om zelf voor een bulderende zaal te staan. Wie de middelbare school heeft afgerond, kan zijn geluk beproeven op de Kleinkunst Akademie in Amsterdam. Voor de jongere aspiranten heeft het Theater Zuidplein de Cabaretacademie in het leven geroepen. In Nederland zijn veel van dit soort jeugdtheaterscholen, buitenschoolse opleidingen voor kinderen en jongeren, met als bekendste het Jeugdtheater Hofplein in Rotterdam. De Cabaretacademie is de eerste die zich volledig op cabaret richt.

Academie is een groot woord want de opleiding bestaat vooralsnog uit één klas van veertien leerlingen. Maar Klunder en het Zuidpleintheater hebben plannen om de school uit te breiden. De besten van dit jaar gaan in september door naar de tweede klas. Nieuwe leerlingen kunnen in juni auditie doen voor de eerste klas. Ook komt er een voorbereidend jaar.

Het Theater Zuidplein, een middelgroot theater dat zich vooral op kleinkunst richt, ligt verscholen tussen betonnen woonblokken en een lompe metrobrug. Op maandagavond, van half zes tot negen uur, krijgen de leerlingen cabaretles. De klas repeteert in de kleine zaal, maar deze avond onderwijst Klunder in de vergaderzaal. Het bevalt de leerlingen wel. Op de aan de kant geschoven kantinetafels voelen zij zich meer op hun gemak dan in het pluche van de theaterstoelen. De eerste twee uur geeft Klunder zelf les. De leerlingen schrijven thuis hun eigen teksten. Deze moeten zij onder begeleiding van Klunder bijschaven tot er een grappige act voor één persoon ontstaat.

Charlotte, die op de grond tegen de deur aanzit, wil niet spelen. ,,Ik ben vandaag niet grappig'', zegt ze. ,,Kijk, dat vind ik anders al heel leuk'', zegt Klunder. Nils, een stevig gebouwde jongen met blozende wangen, mag als eerste. Hij heeft iets nieuws bedacht. Hij speelt een badmeester die een groepje zwemkinderen toespreekt. ,,Nu moeten jullie goed luisteren!'' schreeuwt hij. Vervolgens somt hij de huisregels van het zwembad op om te eindigen in een onverwachtse huilbui en de onthulling dat hij vroeger in de kleedhokjes werd opgesloten.

Het is duidelijk een eerste aanzet. De klas lacht zuinig, maar Klunder is mild: ,,Ik hou wel van die man. Het is een prettig type. Hij heeft zijn hele leven niets te vertellen gehad, thuis onder de plak, en nu is hij badmeester geworden.'' De badmeester doet hem denken aan majoor Kees van Paul van Vliet. ,,Kennen jullie majoor Kees?'' vraagt hij. De klas kijkt hem vragend aan. Nooit van gehoord.

Mager

,,Misschien moet je het zo doen'', zegt Klunder. Hij doet het even voor. Met een paar hoekige bewegingen, kin naar voren, felle ogen, zet hij in een paar seconden de perfecte badmeester neer. Nu lacht de klas uitbundig. Ook de acts van de andere leerlingen worden in één klap leuk als de meester ze voordoet. Het maakt niet uit hoe mager het idee is, Klunder weet er iets van te maken. Het moet een ontmoedigende en tegelijkertijd inspirerende ervaring zijn. ,,Ja maar'', sputtert Nils tegen, ,,als jij het doet is het leuk. Ik kan dat niet zo.''

De twee uur gaan snel voorbij. Een meisje speelt met een pop en vertelt dat `alleen pijpen geen goede basis is voor een relatie'. Een ander meisje speelt wc-juffrouw, maar ze moet bekennen dat ze dat zelf allang niet meer grappig vindt. De origineelste act is van een jongen die op het podium de krant gaat zitten lezen. De grappen zijn deze avond over het algemeen niet sterk. De klasgenoten lachen nauwelijks, maar dat is ook omdat ze de meeste acts al vele malen hebben gezien.

De leerlingen, van 14 tot 18 jaar, komen vooral uit Rotterdam en omgeving, maar ook elders uit Nederland. Zo is er een leerlinge uit Zeeland en zelfs een die elke maandag uit Roermond komt. De groep bestaat voornamelijk uit autochtonen, al wordt Nico, een onzekere jongen met een grote mond, pesterig `onze gastarbeider' genoemd omdat hij Grieks bloed heeft. Ze zijn cabaretfan, maar hoeven niet allemaal per se zelf cabaretier te worden. Sommigen willen acteur worden, ander weten het nog niet. Ze hebben zich aangemeld omdat ze ,,altijd hele sketches van Jeroen van Merwijk nadeden op feesten enzo.''

Katinka Polderman (17) uit het Zeeuwse dorpje 's Heer Abtskerke is al een beetje begonnen met haar carrière in de kleinkunst. Met een paar vriendinnen vormt zij de cabaretgroep Willem Alexanders Harem. ,,Vooral op Koninginnedag hebben we veel optredens.'' Katinka heeft inmiddels 120 liedjes geschreven. ,,Klungeligheid is mijn handelsmerk'', zegt ze. ,,Ik hou niet zo van cabaretiers die op de Kleinkunst Akademie hebben gezeten. Die hebben van die gladde maniertjes. Ik hou meer van Kees Torn, omdat hij in zichzelf mompelt en niet de zaal inkijkt. Precies hoe het eigenlijk niet moet.''

De Cabaretacademie vindt ze wel nut hebben, al zou ze meer muziekles willen hebben. ,,Het eerste dat we leerden, was dat we ons niet steeds moesten krabben, want dat leidde teveel af. We moesten leren stilstaan. Verder leer je dat je even moet wachten als er wordt gelachen.'' Ook een belangrijke les was: je moet niet leuk gaan doen, maar de leukheid uit de situatie halen.

Katinka vindt Klunder een goede leraar. Hij is zelf cabaretier en regisseur van cabaretsterren als Brigitte Kaandorp. Dat heeft als voordeel dat hij de sketches van de leerlingen zelf kan regisseren; dat hij het goede voorbeeld kan geven; en dat hij zijn sterren ook naar de academie kan halen om te vertellen hoe het in de praktijk werkt. Kaandorp is al op bezoek geweest. ,,Aanvankelijk durfde hij haar niet uit te nodigen'', zegt Katinka, ,,omdat hij zich nog voor ons schaamde.''

Lijntjes

Deze avond komt Najib Amhali langs, de jonge cabaretier die zichzelf graag introduceert als `de Marokkaan uit de Jordaan'. Toevallig is hij in het Zuidpleintheater om op te treden. Hij geeft wat handige tips voor de aspirant-collega's: ,,Je moet zorgen dat de mensen met je meegaan. Als je `hé Rotterdam!' roept, voelen de mensen zich meteen betrokken. Verder kun je wel losse grappen gaan vertellen, maar je moet ook een paar lijntjes in je hoofd hebben.''

Klunder heeft niet alleen autoriteit bij zijn leerlingen als cabaretregisseur, hij heeft ook didactisch talent en hij is enthousiast. Zelf tijdens de saaiste gedeeltes blijven zijn kleine pretogen glimmen achter zijn zware brilmontuur. Bovendien weet hij over de slechtste stukken nog wel iets positiefs te zeggen, zonder harde woorden te vermijden. Jasper, een jongen met blonde rastakrullen en een baardje, heeft een geëngageerde act over geld, de nieuwe god van onze maatschappij. Niemand lacht. Klunder is meedogenloos: ,,Het interesseert ons niet en het is niet grappig.'' Toch weet hij ook uit deze sketch iets positief te halen: ,,Maar die ene zin, `ik doe er niet aan mee!', vond ik heel sterk. Daar moet je mee verder gaan.''

De algemene les die Klunder hieraan verbindt is: ,,Je moet je altijd afvragen, interesseert het de zaal? Ik kan me bijvoorbeeld herinneren dat ik met Jeroen van Merwijk werkte. Hij had een sketch...'' De klas onderbreekt hem, lachend:,,Nee Bert, dat heb je al drie keer verteld.''

Na twee uur repeteren met Klunder krijgen de cursisten van gastdocenten les in de meer ambachtelijke kanten van het vak. Er is spraakles, beweging en acteren. Docent Marco van Es geeft `komisch acteren'. Hij onderwijst de groep in timing, non-verbale communicatie en puntig formuleren. Verder moeten ze leren een sketch een duidelijk hoogtepunt te geven.

Van Es begint met een warming up. Al snel hangt er een geur van puberzweet in de ruimte. De deelnemers snellen naar hun sporttassen om de deodorants te voorschijn te halen. De zweetlucht wordt verdreven door een rijk boeket aan geuren. Bloemenvelden, oceanen en dennenbossen zweven voorbij. De leerlingen wisselen hun deodorants uit. De populairste, een grote spuitbus van Fa, gaat de hele klas rond. ,,Toen we elkaar in de eerste lessen nog niet kenden'', vertelt Annelies van den Ende (17), ,,was het uitwisselen van deodorants de manier om het ijs te breken.''

Om te leren komisch acteren moeten de cursisten geïmproviseerde dialogen opvoeren waarin ze steeds tien seconden stilte in acht moeten nemen voor ze iets zeggen. Hierdoor leren ze beter nadenken over wat ze zeggen. ,,Jullie kunnen wel makkelijk tekst geven'', zegt Van Es, ,,maar ik wil de gedachte achter de tekst zien.'' Een ander voordeel is dat het stil spel meer kans krijgt: ,,Niets zeggen en het publiek zelf laten interpreteren.''

Jasper met de blonde rastakrullen is gekoppeld aan Nico, `onze gastarbeider'. Ze maken ruzie over iets onbenulligs, tot Jasper de dialoog opeens een hilarische wending geeft door in plat Rotterdams `Maar je doet me pijn, Nico!' te roepen. Twee meisje maken een scène over de schoonheid van een jongenskont. Een vrijwilliger uit het publiek laat zich gewillig door hen betasten. De kunstmatige stiltes geven de dialogen een absurdistisch tintje.

,,Kent iemand van jullie `Herenleed'?'' vraagt Van Es. Nee, nooit van gehoord.

Vreemd genoeg zijn de snelle, ter plekke bedachte dialogen veel leuker dan de ingestudeerde sketches uit de eerste helft van de avond. Blijkbaar voelen de leerlingen zich beter op hun gemak als ze niet alleen op het podium staan. Bovendien geven ze zich met hun eigen teksten veel meer bloot, wat wellicht de verlegenheid in de hand werkt. Een ander probleem waar Klunder regelmatig over klaagt, is dat de leerlingen hun tekst zo goed van buiten kennen dat alle spontaniteit eruit is verdwenen. Ze moeten nog leren om spontaniteit te veinzen.

Klunder: ,,Het zijn kinderen van de kringgesprekgeneratie. Ze kunnen gemakkelijk iets doen voor een groep. Ze hebben weinig schroom en dat is heel handig bij cabaret. Maar dat gemak is meteen hun zwakte. Ze lullen maar een eind weg. Het zou veel puntiger, scherper moeten. Verder is het ook de patatgeneratie. Ze zijn verwend. Het heilige vuur ontbreekt nog.'' En zit deze klas nu vol met de cabaretiers van morgen? Klunder: ,,Als deze academie één cabaretier oplevert die het later gaat maken, dan zou ik al heel tevreden zijn. Maar het belangrijkste is dat het een professionele opleiding wordt en geen creatief centrum voor hobbyisten. Ze moeten niet denken: op zaterdag heb ik judo en op maandag ga ik cabaretten.''

Openbare les Cabaretacademie 31/5 Theater Zuidplein Rotterdam. Inl. 010-2030210