Joodse pers onder nazi-censuur

Tot de complexe geschiedenis van het Derde Rijk behoort het bestaan, in Hitler-Duitsland, van een bloeiende joodse pers. Volker Dahm toonde in zijn gedetailleerde studie Das jüdische Buch im Dritten Reich al aan dat het aantreden van Hitler niet meteen het einde betekende voor de joodse cultuur. Katrin Diehls nieuwe onderzoek naar de joodse pers sluit daarbij aan. Zij wist 146 titels van joodse kranten en tijdschriften tussen 1933 en 1943 te achterhalen, en enkele overlevende journalisten te interviewen.

Tijdens de Weimar-Republiek spraken de nazi's al afkeurend van een Duitse `jodenpers', maar dat verwijt richtte zich toen vooral tegen niet-joodse kranten. Het merendeel daarvan stond volgens de bruine revolutionairen onder joodse invloed. Diehl weerlegt die aantijging door aan te tonen dat van de 85 grote kranten er slechts tien werden geleid door joodse hoofdredacteuren.

Na hun machtsovername streefden de nationaal-socialisten ernaar de media volledig in hun greep te krijgen. De installatie van de Reichspressekammer in november 1933 was het begin. Die organisatie stond aanvankelijk ook open voor buitenlanders en niet-ariërs die zich met de Duitse cultuur bezighielden. Ofschoon Goebbels zijn uiterste best deed de joden uit zijn persgilde te krijgen, lukte dat niet helemaal. Diehl achterhaalde zelfs één geval van een joodse journalist die in 1935 een artikelenreeks voor de Völkischer Beobachter schreef. Na 1936 moest iedere journalist een ariërverklaring kunnen overhandigen, waaruit bleek dat hij vanaf 1800 geen joodse voorouders had. Voor verslaggevers die uitsluitend voor joodse kranten of tijdschriften wilde werken, werd een uitzondering gemaakt. De joodse kranten werden dan ook overspoeld door sollicitaties van elders ontslagen journalisten.

De onderwerpen voor de joodse pers werden beperkt tot thema's die alleen de gediscrimineerde bevolkingsgroep aangingen. Dat had een ware opleving van joodse gebruiken en tradities tot gevolg. Voor sommige joodse journalisten was dit geheel nieuw terrein. Eugen Tannenbaum, redacteur van een liberale joodse krant, moest bij elke joodse feestdag in een encyclopedie opzoeken wat de achtergrond daarvan was. Ook de chemicus Fritz Haber was zich bewust van een `joodse renaissance'. `Ik heb me nog nooit zo joods gevoeld als nu', schreef hij in augustus 1939 aan Albert Einstein.

Duitse aangelegenheden waren voor de joodse pers taboe. Maar over zionisme kon zonder reserves worden geschreven. Tijdens Weimar was het zionisme al een splijtzwam geweest in joodse kring. Zionisten stonden tegenover geassimileerde joden die zich meer Duitser voelden. Voor de Jüdische Rundschau, het orgaan van de zionistische beweging, bleef emigratie het hoofdthema. De krant ageerde fel tegen geassimileerde joden, die het antisemitisme van de nieuwe machthebbers zouden hebben uitgelokt. De Nazi's ondersteunden het zionisme niet direct, maar wel de plannen om de joden in een ander land onder te brengen. Voor hen was een zionist vooral een nuttige jood.

De C.V.-Zeitung was het blad van het Centralverein deutscher Staatsbürger jüdischen Glaubens (CV), een vereniging die eind vorige eeuw in het leven was geroepen om een barrière op te werpen tegen het antisemitisme. Jood-zijn was voor dit blad voornamelijk een religieuze aangelegenheid. De nazi's verboden noch de CV, noch de krant. Sterker, tot en met 1938 kreeg de C.V.-Zeitung door onachtzaamheid van ambtenaren een subsidie van het propagandaministerie. Een oplettende lezer van de joodse pers was bovendien Adolf Eichmann. Toen Arno Herzberg in 1937 een artikelenreeks over joodse organisaties onderbrak, kwam Eichmann bij de redactie informeren wanneer de serie werd voortgezet.

Ondanks haar strijd tegen het antisemitisme hield het blad vast aan de Duitse cultuur. `Wij gaan bewust als joden en bewust als Duitsers de komende tijd in', schreef de krant in januari 1935. Terwijl de Jüdische Rundschau fotoreportages afdrukte van arbeiders en boeren in Palestina, publiceerde de C.V.-Zeitung (nota bene van dezelfde fotograaf, Herbert Sonnenfeld) foto's van joodse landbouwers die de Duitse aarde bewerkten.

Van de drie grote bladen die Diehl onderzocht, was alleen het Israelitische Familienblatt niet verbonden aan een organisatie. Na 1933 probeerde dit blad het imago van kleurloze familiekrant van zich af te schudden en mengde het zich in de discussie over het jodendom. Duitse volksaard en het jodendom sloten elkaar niet bij voorbaat uit, vond men. De laatste jaren begon het blad een gematigd zionistische koers te varen.

De Kristallnacht van 1938 luidde het einde in. Op Goebbels bevel verscheen voortaan alleen het Jüdische Nachrichtenblatt, een joodse krant die nuttig moest zijn voor de afwikkeling van het `jodenvraagstuk'. Een delegatie van redacteuren moest zich dagelijks melden op het ministerie van propaganda, de Gestapo liet zich dagelijks op de redactie zien. Op 4 juni 1943 viel het doek voor deze laatste joodse krant.

Katrin Diehl heeft een zeer opmerkelijke persgeschiedenis vastgelegd. Maar de vraag in hoeverre de joodse pers verzet heeft kunnen plegen is lastiger te beantwoorden. De pers kon het regime niet rechtstreeks bestrijden. Blijken van afkeer zaten vaak verstopt in kleine berichten. Zo moeten de lezers hebben genoten van het bericht dat een vooraanstaande nazi zich bij voorkeur in een joods ziekenhuis liet behandelen. Een voorbeeld van deze vorm van verzet was ook een publicatie van de Jüdische Rundschau in juni 1935 onder de kop `De jood is ook een mens', een uitspraak van Goebbels die uiteraard uit zijn verband was gelicht. Het waagstuk kwam de krant op een verbod te staan van enkele maanden. Losse verkoop van joodse bladen werd volledig verboden.

Katrin Diehl: Die jüdische Presse im Dritten Reich. Zwischen Selbstbehauptung und Fremdbestimmung. Max Niemeyer Verlag, 362 blz. ƒ151,95