Ik schep dus ik vernietig

Aan het einde van een boekbespreking staat een oordeel – duim omhoog of duim omlaag. Dat is wat u verwacht en in de regel krijgt, en ik zou ook niet weten hoe het anders moet. Maar het vervelende is dat je in de weken na je stukje altijd pas echt zeker weet wat je van een boek vindt. Je bent tegen die tijd weer een paar boeken verder, je geheugen voor de korte termijn is in beslag genomen door iets anders, en dan komt de ware proef. Denk ik nog wel eens aan dat boek?

Is het antwoord nee, dan kun je welgemeend geschreven hebben dat het om een meesterwerk gaat, maar dan laat het je uiteindelijk toch kennelijk van ganser harte koud. Is het antwoord daarentegen ja, dan kun je nog zo zeker zijn geweest dat het een mislukking is, maar dan heeft zich het wonder van de literatuur voltrokken. Het verhaal heeft zich in je genesteld en bemoeit zich met de manier waarop je naar de dingen kijkt.

Hoe vaak gebeurt je dat? Een keer of drie, vier per seizoen misschien, als je de vaderlandse literatuur bijhoudt, veel vaker zal het zelden zijn. Want het vereist iets van een boek dat verder gaat dan effectief gebruik van thema's, plots en personages. Iets dat bij het schrijven niet goed af te dwingen is en dat helaas ook nooit goed te benoemen is, omdat het daar nou net om gaat: dat het niet te benoemen is. Juist wat zich niet laat terugbrengen tot ordenende taal, dat blijkt zich aan je vast te haken.

Een schrijver bij wie mij dat elke keer weer overkomt is de jonge Vlaamse meester Peter Verhelst. Hij schrijft romans die de attractie hebben van een labyrint. Je gaat van bocht naar bocht, passeert de meest verleidelijk beschreven taferelen, geheimzinnig en haast toverachtig, en raakt ver af van je alledaagse zelf. En sta je dan toch plotsklaps aan de uitgang, dan valt amper uit te leggen waar je bent geweest. Een samenvatting leidt tot niets, de woorden doen hun werk niet meer. Maar kijk je op en vind je je eigen wereld weer, dan is daar iets merkwaardigs mee gebeurd. De vloer lijkt wel te ademen, achter de muren pompt heel zacht een hart. De wereld lijkt een lichaam en jijzelf een zintuig, tot in het oneindige verscherpt.

Althans, zo was het tot dusver.

Nu ligt er Tongkat, de vierde en tot dusver meest omvangrijke roman van Verhelst, en hier lijkt iets verwarrend anders aan de hand. Ik zat al klaar voor een betovering van de zintuigen, maar driehonderdveertig bladzijden later bleef ik achter met, ja, wat? Met niets, geloof ik eigenlijk. Met een soort woordeloze, suizelende leegte die nog het meest doet denken aan het ruisen dat je in je eigen bloedbaan hoort als je je oren dichthoudt. Zintuiglijk, dat nog steeds, maar dan autistisch.

Ik vond het een mislukking en besloot het aan de kant te leggen. Want wat moet je met een boek dat je niets meegeeft? Maar besluiten dat je een boek loslaat hoeft niet te betekenen dat het ook jou loslaat, dat had ik inmiddels moeten weten. Hoe het kan is mij een raadsel, maar sinds ik Tongkat afgeschreven heb gaat er weinig meer voorbij of het springt terug in mijn geheugen. Moordende scholieren in Amerika? Tongkat. Voetbalrel in Rotterdam? Tongkat. Een oud nummer van Kate Bush? Een reproductie van El Greco? Tongkat. Tongkat. Om nog maar te zwijgen van de oorlog op de Balkan.

Die leegte van het boek is blijkbaar dus niet zomaar een mislukking, die is welbewust. Ze is geladen. Ze heeft op de een of andere manier iets wezenlijks te maken met onze verder juist zo volle wereld, in mijn hoofd in elk geval, en als dat eenmaal tot je doordringt groeit het uit tot een volmaakt nieuw boek. Een boek dat niet leeg is, maar over leegte gaat. Een boek dat niet zozeer betekenissen geeft, maar juist betekenissen weg neemt, en dat daarmee iets angstwekkends blootlegt in maar liefst de hele westerse beschaving: een verlangen om zichzelf kapot te maken en de wereld terug te brengen tot haar oerstaat, maagdelijk als wit papier.

Eigenlijk zit het er al vanaf de eerste scènes in – in de vorm van een beeld, zoals bijna alles bij Verhelst, een haast apocalyptisch beeld waarin de eigenaardigheden van dit schrijverschap je al meteen demonstratief tegemoet komen. In `ons land' daalt op een nacht een ongekende winter neer. De ramen staan vol ijsbloemen. De tuinen zijn van puur kristal. De huizen kraken als een brekend bot, de vlammen in de haard bevriezen. Alles stolt, verstijft, valt stil.

De bevolking weet niet wat haar overkomt. De kou bijt mensen als een slang in de hiel en trekt zich langs de benen op naar boven, naar het hart en naar het hoofd. Het bloed stremt in de aderen tot takjes rood koraal, het vlees wordt wit als vissevlees. De eerste tenen vallen af. De eerste zweren breken door. De eerste sterfgevallen doen zich voor. De overlevers zoeken warmte bij elkaar in een vertwijfelde omhelzing, maar het helpt niet, overal dringt de kou door. `Onze geest vroor samen met ons lichaam dicht.'

Het is een indringend beeld, onwerkelijk en toch heel werkelijk, en daarmee helemaal Verhelst. Hij schrijft gespierd en ritmisch proza dat per zin volkomen helder is. Maar geef hem twintig van die zinnen en je staat voor raadselen. Heeft hij het over kou, dan zal een jas niet helpen. Een ongrijpbare orde neemt het leven over. De dingen worden uitvergroot, ze krijgen iets fantastisch en iets mythisch, en als lezer heb je ogenblikkelijk de neiging naar symbolen te gaan zoeken. Die kou, die staat natuurlijk ergens voor.

Maar waar als dat mag zijn, geen personage in dit boek zal je daar iets over vertellen. Dat is het probleem net met die kou. De geest vriest dicht, de mensen raken blanco. Als er ooit al woorden zijn geweest voor wat hen overkomt, dan zijn ze die nu kwijt. De woorden `stijven op' tussen hun stembanden, ze `prikken als ijspegels in je tong', en daarmee is de kans verkeken dat de kou je door een personage wordt verklaard. De poort is gesloten, de sleutel gebroken.

Het gevolg is dat je bij het lezen alle wapenen uit handen wordt geslagen. Je verstouwt een wemeling aan beelden die verwijzen naar een rauw lichamelijk bestaan, naar angst en pijn en uitputting, en je zou er iets aan willen begrijpen. Maar er is niets meer waar je begrip aan hecht. Er is geen geest meer en geen psychologie. Er zijn geen mensen meer, in zekere zin, en daarmee kom je in eenzelfde soort positie als die mensen zelf. Je zit in een gesloten circuit van zintuiglijke sensaties en kunt weinig anders doen dan er voor openstaan. Ook jij wordt een geteisterd lichaam met een blanco geest.

Het is een fascinerende machtsgreep voor een schrijver, een tactiek om je als lezer daar te krijgen waar de taal je bijna niet kan brengen: aan de rand van je bewustzijn, of misschien zelf daar voorbij. Maar van die machtsgreep heeft het ook de tirannieke trekken. Het is agressief, een aanval op je geest, een hersenspoeling op den duur, en hoe verleidelijk Verhelst die ook verpakt, het zou niet te verdragen zijn als er niet iets tegenover stond. Een inzicht, een idee – je klauwt naar alles wat houvast kan geven.

En dat komt ook, als je doorleest. In acht lange hoofdstukken laat Tongkat je met zeven personages kennismaken (eentje laat zich twee keer zien) die elk een draadje vormen in het weefsel van hun maatschappij. Ze komen elkaar tegen, krijgen met elkaar te maken, zij het meestal zonder goed te weten wie de ander is, en zo ontstaat er een structuur waaraan je toch gaat zien wat er met hun bevroren wereld aan de hand is.

Onthullend is vooral het tweede hoofdstuk. We gaan terug in de tijd, terug tot aan het mythologische begin van de beschaving, waar de goden van de Olympus en de titanen vochten om de heerschappij over de wereld, en komen daar bij de titanenzoon Prometheus – `de jongen die het vuur achter zijn tanden bewaarde'. Van de poolkou gaan we naar de hitte van een jonge wereld.

En zowaar, die biedt herkenning. Japetos, de vader van Prometheus, is een vechter van het soort dat met zijn aanhang dorpen platbrandt. Mannen tegen de muur. Vrouwen op hun rug. Kinderen in een kuil en zand erover. Ondertussen vijzelen de vrouwen van de stam thuis het moreel op met verhalen over voorouders en heldendom, en voor de kinderen is duidelijk dat al dat heldendom tot nog meer heldendom verplicht. Dit is kortom de wereld van het brute, naakte vitalisme – een soort oermodel van wat de Balkan en een deel van Afrika sinds een paar jaar weer laten zien.

Maar Prometheus zal die wereld gaan verlaten, hij is immers de titaan die het vuur van de goden aan de mens zal geven, en hij komt na slopende omzwervingen uit in een wereld die je nog veel meer herkenning biedt. Het is een stad, het is er vol, en wat de jongen nog het meest verbaast: er heerst een niet te stuiten aandrang tot vernieuwing. Niet omdat er iets kapot is maar om het vernieuwen zelf, het oude wordt voor dat doel zelfs kapot gemaakt. Het is een samenleving die bezeten in haar

maakbaarheid gelooft, kortom, het is zo ongeveer de wereld waar wij zelf in wonen.

Met die tournure haalt Verhelst je plotsklaps bij de les. Het gaat hier over ons, via een omweg. Net als je dat beseft, gaat het verhaal met grote snelheid op het onheil af waarmee het eerste hoofdstuk inzette.

Want wat gebeurt er als Prometheus ons het vuur komt brengen? De arme jongen weet zijn weg niet in de stad en laat zich meetronen door een vrouw die zich als enige om hem bekreunt. Ze heet Ulrike, draagt de bijnaam Tongkat en woont in een kraakpand, samen met een zekere Andreas en een heel stel anderen. Zij nemen hem in huis en laten hem als vuurspuwer optreden bij de straatvoorstellingen waarmee ze in hun onderhoud voorzien. Ze vormen een tegencultuur, los van hun wereld.

Maar die wereld wantrouwt dat en laat de groep door de politie schaduwen. De groep sluit zich daarom steeds verder voor de wereld af en radicaliseert, dreigt met geweld, waarna ook de politie radicaliseert. Prometheus wordt gepakt. Hij wordt verhoord, hij wordt vermoord – en dan gebeurt het. In de nacht dat hij het leven laat, begint de vorst.

Met die ontknoping balt de duistere verbeelding van het boek zich plotsklaps samen tot een potige en heldere moraal. Waarom bevriest dit land? Omdat het vuur van de goden wordt gedoofd. De grillige, brisante, gewelddadige krachten in de wereld worden afgestopt zodra ze ook maar de geringste dreiging vormen voor de orde in de samenleving, en die samenleving blijft vervolgens over als een mooi gerationaliseerd maar daarmee leeg systeem. Een gesloten circuit, waaraan niets menselijks meer is.

Ziedaar de maakbaarheidsgedachte in zijn allerlaatste consequentie. Een karikatuur natuurlijk, dit is niet hoe wij ervoor staan, maar je kunt je met Verhelst wel afvragen hoe ver we daar dan nog vanaf staan. We zijn bezig om een wereld neer te zetten naar ons eigen ontwerp, doelmatig, haarfijn afgesteld, en zitten daarmee op een koers die nauwelijks meer om te buigen valt. Want als het vliegwiel van de maakbaarheid eenmaal op gang komt, wil het door tot de perfectie is bereikt. Al gaat het nog zo goed, nooit zal het goed genoeg zijn, en vandaar de tweespalt in ons binnenlandse krantennieuws: we zijn totaal gelukkig maar we optimaliseren ons nog steeds het schompes.

Dus inderdaad, waar is dat godenvuur nog? Het is niet meer dan een slaapbrander, een waakvlam, en we vinden dat inmiddels al zo vanzelfsprekend dat het ons verbijstert als het toch ineens nog ergens oplaait. Toen de echte Ulrike (Meinhof) en Andreas (Baader) in de jaren zeventig geweld gingen gebruiken, was het schokkende daarvan alleen al dat zoiets nog kon gebeuren, in een land dat na de oorlog toch was teruggekeerd tot de beschaving. Nu een echte Japetos aan het werk is op de Balkan, is het schokkende alleen al dat zoiets in onze achtertuin gebeurt. Wij zijn geneigd geraakt geweld te zien als iets dat niet meer bij ons hoort, als iets dat te verhelpen is. Wij nemen aan dat het dat ook voor anderen is en zien het daarom meer en meer als een morele taak om ons als vredestichters in te laten met conflicten waar we zelf niet bij betrokken zijn. Zelfs vrede maken we maakbaar, we zetten er desnoods een luchtoorlog voor in.

Zo voert dit boek in één zwaai van de Griekse mythologie naar onze actualiteit en kom je toch nog met de benen op de grond te staan. Zie onze wereld, met zijn ongelofelijke orde en beheersing. Je verbaast je er ineens weer over dat het kan bestaan, een samenleving die geweld zo ver weet uit te bannen, en je gaat nog bijna hopen dat Verhelst je iets verhelderend zal zeggen over Kosovo. Maar waar het hem om gaat is niet wat wij daar in de naam der vrede doen, maar, veel ingrijpender eigenlijk, wat onze vrede hier uiteindelijk betekent. Want hoe verder, met een wereld die bevriest?

Daarmee kom je aan de kern van Tongkat, die het boek een haast profetische allure geeft. Want Verhelst heeft daar een radicaal en, als ik eerlijk ben, verbijsterend beeld van. `Elke structuur die gesloten is, is per definitie suïcidaal, zelfvernietigend en dus ook labiel', zo schreef hij twee romans geleden al eens cryptisch in Het spierenalfabet. Deze Wet van Verhelst blijkt ook voor de structuur van een complete samenleving op te gaan. Dat dichtvriezende land uit de roman, waar zelfs de kleinste aanzet tot geweld onschadelijk gemaakt wordt, gaat ten slotte zelf in een verslindende orgie van geweld ten onder.

Het is een gedachte waar je je tegen verzet, want gaat dat over ons? Niet letterlijk natuurlijk, het is een visionaire uitvergroting, een bijna wagneriaans dramatisch motief. Maar wat is het voor mechanisme? Wat is het in onze orde dat naar chaos verlangt?

De onttakeling laat zich het best bekijken aan de hand van `de koning', die het woord neemt in een later hoofdstuk en een tragische figuur is. Hij heeft vrouw noch vrienden, leeft in een paleis dat zo is ingericht dat het bestaan van iets als afval zelfs voor hem verborgen wordt gehouden. Reële macht heeft hij allang niet meer. Hij is er louter voor het protocol, als schakel in wel tien gesloten structuren. En als de vorst invalt komt hij tot een besluit. Hij loopt de poort uit en gaat op zoek naar `warmte'.

De uitwerking is grandioos. De hofhouding probeert te doen of er niets aan de hand en serveert nog steeds zijn maaltijden, ja converseert zelfs met zijn lege stoel. Maar tevergeefs. De eerste schakel is uit de structuur. Het volk krijgt lucht van de vermissing en begint te morren. Er ontstaat een oploop bij het paleis. Soldaten schieten op de menigte. De sfeer verhardt. De menigte krijgt bijstand van de kraakgroep van Ulrike, die inmiddels een volwaardige terreurgroep is weer wordt gesteund door een mysterieuze Carlos die vanuit de onderwereld op een machtsovername aanstuurt.

Van dat alles merkt de koning niets, aanvankelijk. Hij trekt het land door, kust zijn eerste vrouw en leert te overleven in de wouden. Pas als hij weer terugkomt merkt hij wat er speelt, maar dan is hij niet meer de koning die was. Hij is een zwerver, etend en slapend tussen junks en hoeren, en hij gaat op een wel heel ironisch einde af. Hij laat zich meevoeren door de menigte die zijn paleis ten slotte in een kolkend offensief bestormt, wordt zogezegd een opstandeling tegen zichzelf – en wordt tegen een muur van het paleis vermorzeld door een aanstormende motor.

En om de ironie nog aan te scherpen: op die motor zit Ulrike. Ook tegen die muur. De uitersten ontmoeten elkaar in de dood. Ja sterker, vrijwel iedereen ontmoet elkaar daar aan het slot van de roman. Een voor een zie je de personages op hun einde afgaan, net zo lang tot er in heel het land nog maar twee over zijn, en de conclusie is wel duidelijk. Die dood, die wordt gezocht. De dood is een vervulling.

Maar is daarmee ook echt iets duidelijk? Het is door deze draai dat ik bij eerste lezing niet meer wist wat ik met dit boek aan moest. Want vervulling – het is weer een groots dramatisch motief, maar mij kostte het grote moeite om er iets aan te voelen. Een vervulling in de dood heeft het effect van een zwart gat. Het hele boek stroomt daarin uit, het wordt naar dat verdwijnpunt toe gezogen, en het lijkt wel of je eigen leeservaring meegezogen wordt. Je kunt de personages volgen, maar je eindigt met hetzelfde niets als zij, en daardoor blijf je met de vraag naar het waarom van de onttakeling ten slotte zitten in een vreemde, onbewogen leegte.

Die oesterachtige geslotenheid, die leegte die op de een of andere manier iets in je achterlaat, dat is wat Tongkat tot een waarlijk raadsel maakt en je dwingt om er na lezing zelf dan maar op door te denken. Dus: wat zoekt die koning, als hij de geslotenheid van zijn structuur verlaat? Misschien wel wat in onze wereld mensen zoeken die de kalme orde van hun leven nu en dan verruilen voor iets spannenders, of dat nu in een illegale pil zit, in een seksuele variant of in een weekend survival. Overvalt de wereld je niet langer uit zichzelf met enerverende ervaringen, dan blijkt er een verlangen op te komen om die zelf te gaan zoeken.

Dat klinkt juist heel vitaal en helemaal niet destructief, zou je zeggen, maar het is dubbelzinniger. Wie door een ervaring overvallen wordt, wie er dus tot op zekere hoogte door bedreigd wordt, stelt zich tegen het gevaar teweer. Wie zo'n ervaring daarentegen zelf moet opzoeken, die stelt zich niet teweer, hij maakt zijn borst desnoods nog bloot om het gevaar te mogen ondergaan. Hij zoekt dus welbewust de aanraking van iets destructiefs, hij kruidt het leven met de dreiging van de dood.

De vraag is dan hoe ver hij daarin gaat. Dat is een kwestie van regie, die heeft hij zelf in handen, en op dat punt laten de figuren van Verhelst iets eigenaardigs zien. Ze weten geen maat te houden. Eenmaal ingestapt op het traject van de destructie is er geen uitstappen meer bij, ze willen door. Als dat tot ze doordringt zie je plotseling waarom. Ze zoeken de perfectie. Ze zijn niets veranderd. Ze draaien nog altijd op het vliegwiel van de maakbaarheid, ze maken nu alleen iets anders. Ze maken hun vernietiging.

Bij Verhelst, als ik me niet vergis, is het de maakbaarheidsgedachte zelf die suïcidaal is. Wie zijn eigen leven tot in de perfectie vormgeeft, komt ten slotte op het punt dat er nog maar één onderdeel is dat hij niet beheerst, en dat is zijn dood. Ook die vraagt dan om vormgeving. Hij zorgt dat hij zelf de regie in handen heeft. Hij maakt zijn dood tot een eigen schepping, een bekroning, en zo levert hij een onomstotelijk bewijs voor de totale maakbaarheid. Hij is geen schepsel meer, hij is een Schepper. Zijn eigen God.

Net als een schrijver, ben je geneigd te denken, en dat lijkt me hier de spijker op de kop. Met Tongkat heeft Verhelst een boek geschreven dat zich gedraagt als de perfecte zelfmoordenaar, de man die niets onafgemaakt laat. Hij slaat niet alleen de hand aan zichzelf, hij ruimt eerst al zijn kasten uit, verkoopt zijn huis en regisseert zijn tour de force: zijn lijk zal niemand vinden. Het zal zijn alsof hij het nog eigenhandig opgeborgen heeft. Ja sterker, het zal zijn alsof er nooit een lijk geweest is. Hij zal niet één spoor achterlaten, enkel en alleen het wonder van een onbegrijpelijke leegte.

Dat is wat Tongkat in je hoofd ten slotte wordt: een onbegrijpelijke, want intense, tot in het waanzinnige geconcentreerde leegte. Een zwarte zon, een witte vlek. Een uitgewiste tekst. Het is niet te beoordelen naar de gangbare maatstaven van goed en slecht en mooi en lelijk. Het is. Dat wil zeggen, het is niets. Maar God, wat is dat veel.

Peter Verhelst: Tongkat. Een verhalenbordeel. Prometheus, 340 blz.

ƒ49,90 (geb.)/ƒ39,90