Hoogleraren

Columnist Bomhoff (NRC Handelsblad, 24 april) en Pieter Winsemius (28 april) zijn het oneens over de vraag of vaste aanstellingen van hoogleraren bevorderlijk zijn voor de vitaliteit van het academisch bedrijf. Bomhoff vindt van wel maar constateert tegelijkertijd dat er sprake is van verloedering van de Nederlandse universiteiten, van `hoererij' maar liefst, met als voorbeeld de `hobby-universiteit Wageningen', waar in een advertentie voor een hoogleraar land en tuinbouw (bedoeld zal zijn de hoogleraar biologische bedrijfssystemen) ondermeer samenwerking met boeren gewenst wordt. Als voorzitter van de betrokken benoemingsadviescommissie wil ik graag enkele misverstanden uit de weg ruimen.

Ik ben het eens met Bomhoff dat vaste aanstellingen van hoogleraren gewenst zijn, maar dan wel op basis van een strenge wetenschappelijke beoordeling bij aanstelling en dat wordt door hem niet genoemd. Excellente onderzoekers die succesvol functioneren in internationale netwerken zijn waard om in te investeren. De bezwaren van tijdelijke aanstellingen zijn zo groot dat we het kleine risico van voortijdige burnout, waar Winsemius zorgen over heeft, wel mogen verwaarlozen. We zien overigens nu al dat in Nederland steeds meer wordt geïnvesteerd in excellentie. Maar deze investeringen dienen verder te reiken dan de absolute top: onafhankelijke hoogleraren moeten idealiter, gezamenlijk met hun staf, kunnen fungeren als het intellectuele geweten van de natie. Maar dit wordt lastig nu de financiering door de overheid steeds geringer wordt en men gedwongen wordt de markt op te gaan, om zich daar, in het ergste geval volgens Bomhoff, te laten prostitueren.

Is dit nu in Wageningen het geval? Om te beginnen is het nodig vast te stellen dat er verschillende soorten hoogleraren zijn. Basisleerstoelen, zoals bv. biochemie, plantenfysiologie, fysische chemie (en vele anderen) leveren in Wageningen wetenschappelijke bijdragen op internationaal topniveau. De hier genoemde leerstoel is echter een zgn. integrerende leerstoel die het complexe productiesysteem van de biologische landbouw moet bestuderen. Dit werk is interdisciplinair en moet in nauw contact met betrokkenen worden uitgevoerd om effectief te kunnen zijn.

Op dit punt ontstaat nu het misverstand bij Bomhoff. Genoemd contact betekent niet dat we klakkeloos `vraaggestuurd' werken als tegenreflex op de verfoeide monomane `aanbodsturing' uit het verleden. Die vragen zijn namelijk vaak nog volstrekt onduidelijk. Een essentiële taak van de moderne wetenschapper in integrerend onderzoek is het in gezamenlijke interactie formuleren van de essentiële onderzoeksvragen, vast te stellen welke kennis reeds aanwezig is en welke kennis nog ontbreekt.

Ik beschouw dit als `de derde weg' in het onderzoek, naast pure aanbods- en vraaggerichtheid. Dit is geen hoererij maar kennis-makelaarsschap ten dienste van het scheppen van een effectief maatschappelijk draagvlak voor wetenschap. Bomhoff heeft besloten niet naar de genoemde functie in Wageningen te solliciteren en dus heeft hij helaas niet de gehele advertentie gelezen. Had hij dat wel gedaan dan zouden zijn uitspraken wellicht genuanceerder zijn geweest.