Het sijpend oogenblik

Ik was op zoek naar een gedicht van J.H. Leopold, en bladerde daartoe wat in de wetenschappelijke uitgave van zijn nagelaten, voor het grootste deel onvoltooid gebleven gedichten. In het voorbijgaan zag ik een mooie regel en ik begon te lezen. Pas na een tijdje zag ik dat de regels genummerd waren. Dat was op zich nog niet zo bijzonder, want dat komt wel meer voor in studie-uitgaven. Het bijzondere was dat aan de onderkant van het gedicht, waar de tekst om zo te zeggen steeds rafeliger begon te worden, niet alleen de geschreven regels, maar ook enkele ongeschreven regels meegenummerd waren.

Die ene losse regel na het vierde kwatrijn, dus na regel 16, was niet regel 17, maar regel 20: de editeurs veronderstelden dat er drie regels aan vooraf behoorden te gaan, ook al waren die regels 17-18-19 dan nog nergens op papier verschenen. En het wit na regel 23 bleek niet zomaar loos wit – het was het wit voor een veronderstelde zevende strofe die nog helemaal niet geschreven was, maar na de halfaffe zesde strofe al wel zoveel realiteit had aangenomen dat wat erop volgde op zijn vroegst regel 29 kon zijn – en geen regel eerder.

Dit had iets vermetels, iets supersensibels en hypercreatiefs ook, dit editeren van het wit. Er school, door de tegenstelling tussen ambtenaarlijke regelneverij en de dichterlijke rijkdom van het onvoltooide, ook wel iets absurds in – iets voor een Jiskefet-sketch, met in de hoofdrol Herman Koch als de controleur in regenjas. Hoe moet je het noemen, deze onzichtbare poëzie, en kun je wel van `lezen' spreken? Eerder is het een gang door geselecteerde leegte, een verblijf in nog onbeschreven strofereserve, een verwijlen in afgepaald wit.

Je stelt je meteen een bloemlezing voor van de mooiste lege plekken uit de Nederlandse poëzie, in een vervolgdeel eventueel aan te vullen met een keuze uit de beste witregels. Het zou een leeg (maar wel: functioneel leeg) en wit (maar wel: betekenisvol wit) boek opleveren, zoiets als de `discotheek van de stilte' die Elmer Schönberger beschrijft in zijn essaybundel De kunst van het kruitverschieten: een cassettebandje, door hemzelf gevuld met pauzes uit muziekstukken. Geen alledaagse pauzes, maar doelbewuste stiltes, `rusten waarmee iets aan de hand is', van `de welsprekende stilte' en de hoogst functionele tel rust tot niets meer of minder dan `geritmiseerde stilte.' Het idee mag mooi absurd zijn en verleiden tot mooie absurde rust-classificaties, er gaat wel degelijk een fundamentele kwestie onder schuil. Ook Schönberger ontkomt er niet aan zich af te vragen wat de oertoestand van muziek is: klank, of stilte. Is muziek een verstoring van de stilte, of is omgekeerd iedere pauze een onderbreking van de muziek?

Voor de poëzie zou de vraag moeten luiden: was er in den beginne het woord, of stilte? Wat was er eerder: het wit of de woorden? Dat mag een onoplosbare kip-of-ei-kwestie lijken, maar er zit ook een existentiële kant aan, waar dichters zich meer dan gemiddeld bewust van lijken te zijn. `Een lek in het zwijgen' – dat is een mooi beeld voor een gedicht, van Hans Faverey, maar het is ook meteen de samenvatting van zijn weinig vrolijke levensopvatting: het leven als een onbedoelde korte onderbreking van de alom aanwezige dood. Het verschilt niet veel van J.C. Bloems `het is even / tussen twee stilten luid geweest.' Veel van dit soort betekenisvolle stilten is te vinden in de poëziebloemlezing De stilte (1980) van Kees Fens. Daarin trof ik van de eerder genoemde J.H. Leopold dit gedicht `Regen':

Schaduwen van wie er gaat

ingedoken over straat,

kleeren, hoofd en voetenhak

weggeëffend, grauw en vlak

als lei.

Tuin en schutting allebei,

heesters, perken en jasmijnen

opgetild in een verdwijnen

en het uitgerafeld pad

heeft ook zijn stil verlies gehad.

Tusschen bleeke huizenmuren

hangt de dag van trage uren,

evenwicht naar alle zijd;

in den stilstand van den tijd

lekt het sijpend oogenblik

tik, tik.

Vraag ik mij af waarom ik dit een verbijsterend gedicht vind, dan kan ik eerlijk gezegd niets anders bedenken dan dat het om te beginnen in de woordkeus zit: ingedoken, weggeëffend, een verdwijnen, het uitgerafeld pad, sijpend. Zo bijzonder dat ook elk vermoeden van pleonasme (voetenhak, huizenmuren) of van rijmdwang (naar alle zijd) al snel de kop wordt ingedrukt. Het zit ook in de vertragende, volkomen naturelle dictie die voor mijn gevoel de vorm haar wil oplegt (maar bewijs dat maar eens).

En er wringt iets, tussen deze mooie buitenkant en de wrange inhoud. Het is een grijs en grauw regenvers, over vervagende contouren, weggeregend uitzicht, het besef dat alles traag tot stilstand is gekomen. In de slotregels wordt de tijd als het ware op zijn staart getrapt, maar dat gaat niet gepaard met gevoelens van triomf of eeuwigheid. Grauw en vlak, uitgerafeld, stil verlies, bleek, traag: een enorme droefheid vult gaandeweg het vers. Het lijkt me welbeschouwd geen vers over de stilte, eerder een vers dat zelf stilgezet is, en daarmee verhoogde aandacht afdwingt – vergelijkbaar, dat wel, met stilte.

Het tikken aan het slot lijkt mij niet alleen het abstracte tikken van de tijd, of het meer tastbare tikken van een klok, maar ook het hoorbare tikken van de regendruppels. Met, ook vanwege het woord oogen-blik, de suggestie van een of meer tranen. Tik, tik – dat is wat Rob de Nijs in 1963, in `Ritme van de regen' noemde: `Het ritme van de eenzaamheid.