Geen nood de dood

Multatuli bracht, in zijn Minnebrieven, misschien wel het meest pregnant onder woorden waar veel schrijvers nog altijd mee worstelen: hun verhouding tot hun lezers. `Publiek, ik veracht u met grote innigheid!' riep Multatuli ze vertwijfeld toe. Hij verachtte ze, maar deed ook voortdurend een beroep op hun inlevingsvermogen, hun medelijden en hun begrip voor zijn ellendige toestand en die van zijn naasten.

Een enigszins vergelijkbaar appèl deed Geerten Meijsing in Tussen mes en keel (1997) op zíjn veronderstelde publiek, bij monde van zijn schrijvende hoofdpersoon. `Mijn hele loopbaan was ik op tegenstand gestoten', zo beklaagt zich de manisch-depressieve Erik Provenier, die zich gefnuikt weet door zowel gewone als beroepslezers. `Nooit had ik geweten waarom ik zoveel weerzin opriep, golven van haat. Met de jaren was het er alleen maar erger op geworden. Toch had ik volgehouden en was tegen de klippen op blijven schrijven.'

In hoeverre Provenier, wiens leven en werk sterke gelijkenissen vertonen met die van Meijsing, hier als spreekbuis dient voor zijn schepper, is natuurlijk de vraag. Maar ik heb zo'n vermoeden dat de aanklacht tegen het ondankbare lezersvolkje beiden uit het hart gegrepen is. Van de tegenspraak tussen dit gebrek aan weerklank en de trotse vaststelling van Provenier dat hij nooit heeft willen schrijven `voor de markt', lijkt noch de fictieve, noch de echte auteur zich vervolgens bewust. Hoe zou een schrijver ooit de volle instemming van een lezerspubliek kunnen verwerven als hij het als zijn belangrijkste taak ziet, zoals Provenier doet, om `heilige huisjes omver te werpen' en `vanzelfsprekendheden aan te vechten'?

Men hoeft maar even door Meijsings nieuwe boek, Kerstnacht in de kathedraal – een bijdrage aan de vitale, Haarlemse `Muggenreeks' – te bladeren om te stuiten op krasse uitspraken die hem niet door iedereen in dank afgenomen zullen worden. Over hysterie als wezenstrek van alle vrouwen, bijvoorbeeld. `Daar kunnen zij zelf niets aan doen', wordt daar quasi geruststellend aan toegevoegd. Over de stem als allesbepalende factor in het (jongens)leven. Over de wonderen van Jezus waarover altijd veel te veel ophef is gemaakt, omdat zijn wonderdoenerij `bepaald futiel' zou zijn, `vergeleken met de grootscheepse rampen die Hij niet had kunnen voorkomen'. Weinig waardering is er ook voor het Haarlemse culturele leven, dat maar niet van de grond wil komen. `Een boekenbal in Haarlem was een morbide persiflage: in de garagevormige ruimte van het Concertgebouw zitten vijfendertig grijze vijftigplussers verschrikt te luisteren naar een houseband.'

Meijsings neiging om zijn kont tegen de krib te gooien, om in termen van de kerstviering te blijven, lijkt mij intussen ongeveer even sterk als zijn behoefte om zijn lezers aan zich te binden door ze amusement, ontroering, spanning en sensatie te bieden. Veranderlijk en wisselvallig, naar de titel van een bekroonde roman van Meijsing, dat lijkt me een juiste karakteristiek voor zijn werkwijze en temperament. Alleen zo kan ik het verklaren dat hij, binnen een en hetzelfde werk, breedsprakig kan zijn, maar ook prettig kordaat, oubollig én trefzeker, clichématig én verrassend, irritant én ontroerend. Iets vergelijkbaars geldt voor zijn hoofdfiguren, die welopgevoed en zeer beschaafd zijn, maar ook neigen naar het liederlijke, die onuitstaanbaar arrogant kunnen zijn, maar zich af en toe ook van hun kwetsbare kant laten zien. Je weet bij Meijsing eigenlijk nooit waar je precies aan toe bent. Hij lijkt de rust of de lust niet te hebben om in één stramien te werken en doet dus van alles tegelijk. Een ontboezeming hier, een sneer daar, nu eens een geleerd betoog, dan weer een van zijn apodictische uitspraken. Wat je verder ook van Meijsing kunt zeggen, gewoontjes is zijn werk eigenlijk nooit.

Op een eenduidig, in één adem te lezen verhaal is hij kennelijk niet uit. Dat blijkt ook weer uit Kerstnacht in de kathedraal, dat een ingenieus en aanstekelijk mengsel is van novelle, essay, geschiedschrijving, bijbelexegese, kerstverhaal, krimi en nog zo het een en ander. Na de overlevingsroman die Tussen mes en keel in de eerste plaats was, lijkt deze Haarlemse episode vooral een staalkaart te zijn van de mogelijkheden van de auteur na zijn wonderbaarlijke wederopstanding. Een afrekening trouwens ook, want enkele personages uit zijn vorige roman moeten er nu, in iets gewijzigde omstandigheden, alsnog van lusten.

De hoofdpersoon is deze keer geen schrijver, maar een naamloze organisator, een regisseur, iemand die `in de periferie van de kunst', zoals hij het zelf uitdrukt, een `product' aan de man probeert te brengen. In dit boek vervult hij een wel heel bijzondere opdracht. Hij moet een kerstnacht regisseren in `de kathedraal', zoals de Sint Bavo-kerk in Haarlem hier steeds wordt genoemd, een kerstnacht die live zal worden uitgezonden op de televisie. Met smaak beschrijft Meijsing de botsing tussen het gewijde en het ongewijde die daarvan het gevolg is. Onverschillige buitenstaanders nemen tijdelijk bezit van het katholieke heiligdom: cameramensen nuttigen er hun patatje oorlog en hun pils, de man en de vrouw die uitverkoren zijn om in de levende kerststal de rollen van de maagd Maria en de brave Jozef te vervullen, vergrijpen zich aan elkaar in de sacristie, terwijl het kerstkind wordt `gespeeld' door een drie maanden oude, ongedoopte meisjesbaby. De katholieke autoriteiten zijn intussen dik tevreden met het mediaspektakel waarin zij een `opening' zien `naar de mensen toe'. Een paar onregelmatigheden in de heilige mis zien ze daarbij graag door de vingers.

In soapachtige flitsen geeft Meijsing een indruk van de uit de hand lopende kerstnacht, die hij afwisselt met kalme bespiegelingen over de ziel en het geweten, de onbevlekte ontvangenis, het verschil tussen bouwkunde en bouwkunst en de vrouwelijke voortplantingsdrift. Vanaf het begin is duidelijk dat hij stapsgewijs toewerkt naar een huiveringwekkende apotheose: een kerstnacht waarin de nadruk minder zal liggen op het leven, de geboorte van Christus, maar op de dood. Woorden als `morsdood', `Tatort', `slachtbank', `bekentenis', `lijkbleek', `verdachte' en `offerhandeling', gewiekst verspreid over de verschillende hoofdstukken, werpen hun schaduwen vooruit, al komt de ontknoping (een dubbele moord, gevolgd door de ontvoering van het kerstkind) toch nog hard aan.

Geen geboorte zonder dood, lijkt Meijsing met zijn Kerstnacht te willen zeggen. De eeuwig heid is, in schijn althans, voorbehouden aan de domoren die zich zijn blijven vastklampen aan hun geloof. Zijn hoofdpersoon weet wel beter. Toen zijn stem brak, rond zijn twaalfde, en hij niet langer mee mocht zingen in het knapenkoor, raakte hij met zijn sopraanstem het kinderlijk geloof in het paradijs kwijt. De kerk met haar mooie, katholieke attributen heeft hij nog steeds lief, maar dat zij zielen kan redden, gelooft hij allang niet meer.

Kerstnacht in de kathedraal is een subtiel verpakte wraakneming op het geloof van de kinderjaren. De heilige familie wordt hier wreed van haar ereplaats verstoten, terwijl het mysterie van de geboorte in een heel wat minder stralend licht komt te staan. Wij hebben maar één leven, zo houdt Meijsing ons voor, waarin wij geleid worden door dierlijke instincten. Geen hiernamaals, geen hemels paradijs wacht ons na onze dood. Alleen de verbeelding kan ons misschien nog een beetje verzoenen met dat ene miserabele bestaan.

Geerten Meijsing: Kerstnacht in de kathedraal. Gottmer/Becht,

144 blz. ƒ32,90