Frantz Fanon: Les damnés de la terre, 1961

`Algerije: de hoop bedrogen' kopte het redactioneel commentaar van Le Monde op 16 april bij de frauduleuze presidentsverkiezingen in dat land. Veertig jaar nadat Frantz Fanon zijn gloeiend betoog tegen het kolonialisme en vóór de Algerijnse revolutie hield, verkeert Algerije in een impasse tussen anarchie en dictatuur. Toen Les damnés de la terre in 1961 verscheen, lag Fanon (1925-1961) al op sterven. De hoop van de `progressieve krachten' was toen gevestigd op het Front de Libération Nationale' (FLN) wiens strijd tegen de Franse `colons' Fanon tot de zijne had gemaakt. Sartre schreef een grimmig voorwoord bij het boek. Het verwierf zich zo onmiddellijk de naam van een onverzoenlijke aanklacht tegen het imperialisme.

Fanon, van oorsprong Antilliaan, had vóór zijn aansluiting bij het Algerijns Bevrijdingsfront in 1954 met zijn Peau noire masques blancs (1952) al een indruk gegeven van de gespletenheid die de Derde Wereld beheerste. Maar na zijn ervaringen als arts in een psychiatrisch ziekenhuis in Frans-Algerije stelde hij de definitieve diagnose van `de verworpenen der aarde': ziek naar lichaam en ziel door de koloniale vergiftiging stond de inlanders geen andere weg open dan geweld.

In de eerste helft van Les damnés de la terre prijst Fanon herhaaldelijk dat tegengif aan. De tegenstelling tussen kolonialen en inlanders is onoverbrugbaar voor rede en raad, bezweert Fanon. De Franse overmacht heeft de Algerijnen in een hoek gedreven waar ze als beesten in het nauw zichzelf en hun naasten verwonden. In hun denken, dromen en dansen vermoorden ze de blanke onderdrukkers. Maar tot de opstand een feit is, blijft het bij deze lapmiddelen. Het kolonialisme zelf berust namelijk ook op geweld, waarmee de blanke elite de inlanders dagelijks in het gareel houdt. Pas als de uitvluchten van assimilatie, religieuze verdoving en onderlinge stammenstrijd geen soelaas meer bieden kan de inlander aan zijn genezing beginnen. Die vangt aan met de hardhandige uitdrijving van de blanken. Fanon haalt met instemming Aimé Césaire, de belangrijkste dichter van de `négritude' (de Franse `Black Power') aan: `Ik sloeg, het bloed spatte in het rond: het enige doopsel dat ik me vandaag nog herinner'.

De kaarten liggen gunstig voor deze bloedige afrekening, meent Fanon. De wereld is in twee kampen verdeeld: het kapitalistische en het socialistische, die beide naar de gunsten van de Derde Wereld dingen. Frankrijk en andere koloniale mogendheden kunnen zich geen volkerenmoord permitteren zonder zich de gram van de twee supermachten op de hals te halen. Alle onverzoenlijke woorden ten spijt besluit Fanon zijn oproep tot geweld met de hoop dat de Europese massa's op een dag zullen meewerken aan `de totstandkoming van de mens, de hele mens, in de wereld'.

In het tweede deel vaart Fanon uit tegen de inheemse bourgeoisie die zich door de blanke meesters heeft laten inpakken. Stedelingen en intellectuelen in de kolonie laten zich makkelijk zoet houden met voorrechten en kleine hervormingen. De nationalistische beweging schuwt het platteland en gebruikt de fellah's hoogstens als domme kracht. Onder de stedelijke partijen die op hervormingen aansturen, overheerst immers lange tijd minachting voor het platteland. Totdat de radicale vleugel van de beweging ontdekt dat nationalisten alleen onder de boeren veilig zijn voor de koloniale vervolging. Vandaag trekt de bevrijding van het land naar de stad, zegt Fanon de Chinese leider Mao en de Cubaan Fidel Castro na. De revolutionairen, die door de massa zijn gelouterd, moeten er ook voor waken dat de partij niet bij de geringste concessie van de blanke meesters door de knieën gaat. Revolutionaire tribunalen en commissarissen moeten de opstand in het rechte spoor houden.

De haat van Fanon jegens inheemse burgerij is groot: `Une bourgeoisie platement, bêtement, cyniquement bourgeoise'. Deze bevoorrechte groep bezit alle ondeugden van de Europese burgerij, maar zonder haar durf en inventiviteit. De `zwarthuiden met witte maskers' verrijken zich met casino's, hoeren en hotels. Zij spinnen garen bij het achterlijke en tribale karakter van de kolonie. Als een land het ongeluk treft na zijn onafhankelijkheid door de inheemse bourgeoisie te worden bestuurd, valt het ten offer aan een nieuwe heerschappij. In de Derde Wereld, waarschuwt Fanon, draagt de bourgeoisie in geen enkel opzicht bij aan de emancipatie. Het stedelijk waterhoofd is juist een belasting van het revolutionair elan. Voor het nationaal zelfgevoel is het van belang dat het vertrek van de blanke bazen niet als een terugval in de barbarij wordt opgevat. Daarom zijn de herontdekking van het rijke verleden, een reveil van de islam en de `négritude' niet onbelangrijk. Uiteindelijk is de strijd echter de enige legitieme bron van de nationale cultuur. De strijd van de Amerikaanse zwarten is niet dezelfde als die van de Afrikanen. `Wat telt is de voorstelling die mensen zich maken van de menselijke toekomst. De rest is literatuur en mystificatie.'

In het laatste deel van Les damnés de la terre blikt Fanon terug op zijn praktijk in de psychiatrische kliniek van Blida van 1954 tot 1959. Fanon doet het koloniale trauma hier in een aantal voorbeelden uit de doeken. Van de impotentie van een `militant' wiens vrouw door een Fransman is verkracht tot de nachtmerries van Algerijnen die de Franse folterkamers hebben doorstaan. Zelfs een beul komt zijn beklag doen bij Fanon: `Soms zou je ze willen zeggen dat ze, als ze een greintje medelijden met ons hadden, zouden praten zonder ons te dwingen de woorden uit ze te slaan.'

In het kort – al te kort tussen alle demagogie – laat Fanon de schade de revue passeren die het koloniale regime onder mensen aanricht. Een bijzonder geval daarvan is de misdadigheid die de Fransen de Noord-Afrikanen in de schoenen schuiven. Fanon verbindt deze veroordeling van de `verworpenen der aarde' door de blanke meesters met zijn eerdere analyse van het geweld onder een koloniaal regime: `Ten slotte blijkt de nationale strijd alle woede te kanaliseren.' In de conclusie roept hij zijn kameraden op zich niet langer om de mening van Europa te bekommeren, maar hun krachten te wijden aan `het maken van een nieuwe huid, de ontwikkeling van een nieuw denken, en de constructie van een nieuwe mens.' `Europeanen, opent het boek en treedt binnen. Na een paar stappen in de nacht zult u vreemdelingen bemerken, verenigd rond een vuur. Gaat op hen toe en luistert. Zij bespreken het lot dat uw kantoren en knechten te wachten staat. Zij zullen u misschien zien, maar zij zetten hun gesprek voort, zonder ook maar hun stem te dempen.'

De heilige huiver die Sartre vervolgens zo mooi in het voorwoord weet op te roepen, is echter ouder dan het `tiersmondisme' waarvan Fanon de profeet werd. Wie goed naar die stemmen bij het vuur luistert, hoort het fluiten van oude linkse en rechtse rattenvangers. Fanon is met zijn voorkeur voor een gestaald partijkader en zijn afkeer van elk reformisme behoorlijk schatplichtig aan het leninisme. In zijn verheerlijking van het geweld als reinigende kracht betoont hij zich de leerling van Franse geweldenaars als Georges Sorel (1847-1922) en André Malraux (1901-1976). In Frankrijk zijn intellectuelen altijd door geweld gefascineerd. De retoriek in Les damnés de la terre wordt echter meer door redelijkheid getemperd dan Sartre wel meent. Want Fanon maakt onderscheid tussen revolutionair en antirevolutionair geweld in eigen gelederen. Hij verzet zich tegen een racisme à la Black Power en hij richt zich op sommige ogenblikken wel degelijk tot de Europeanen die hem en zijn kameraden bespieden.

In Frankrijk vertolkt een kleine groep epigonen, van wie Régis Debray de meest hardleerse is, tot op heden Fanons barse meningen over geweld, imperialisme en bevrijding. Elders is de verbeten tirade tegen het koloniale kwaad verstomd. Niet in de laatste plaats omdat de bevrijders zo weinig goeds brachten. De erfgenamen van de FLN en de nieuwe islam hebben van Algerije geen proeftuin voor de nieuwe mens gemaakt maar het land herschapen in `killing fields'.

Frantz Fanon: Les damnés de la terre. Préface de Jean Paul Sartre. Gallimard/Folio Actuel, 384 blz. ƒ29,-. De Nederlandse vertaling van Han Meyer verscheen voor het eerst in 1973 bij Bruna. Thans is geen Nederlandse editie meer leverbaar.