Een veelkoppig monster

Een collectieve razernij teisterde vorig jaar juridisch Nederland: herdenkingen. Een serie gelegenheidswerken zag het licht. De komst van de Bataafse Republiek tweehonderd jaar geleden vormt een gerede aanleiding tot terugblikken. Zij bracht ons een ministerie van Justitie (aanvankelijk overigens een eenvoudig `agentschap') en vormt ook voor de advocatuur, die natuurlijk al veel langer bestond, een omslagpunt.

De Bataafse republiek legde de grondslag van ons moderne staatsbestel: echte juridische vernieuwing, de proclamatie van de rechten van de mens. Maar de Bataafse grondwet mocht niet officieel herdacht worden. Dat moest de Grondwet van Thorbecke zijn, van vijftig jaar later. Is men op Harer Majesteits departement van Binnenlandse Zaken bang geweest voor te veel eer voor die vermaledijde republikeinen? Als een koninkrijk het daarvan moet hebben ziet het er niet hoopvol uit.

Aan de historici en politicologen, onder aanvoering van de Amsterdamse hoogleraar Van Sas, de taak om het recht te breien in het eerste deel van het tweedelige herdenkingswerk over de Grondwet van 1848. Het werd beginpunt-Thorbecke omdat Napoleon in de Bataafse geschiedenis tussenbeide was gekomen. Anders gezegd: de constitutionele lijn vanaf de grote Johan Rudolph naar het heden is ongebroken.

Opmerkelijk aan het product van deze ontwikkeling is vooral dat het zo weinig leeft. Wie weet eigenlijk nog waar het om ging bij de algehele herziening van de Grondwet in 1983? Op wat politiek gekissebis over het correctief referendum en de gekozen burgemeester na is de Grondwet in Nederland van een grote vanzelfsprekendheid. Dat zal wel te maken hebben met het koningschap. Dat is een institutie die slechts met fluwelen handschoen kan worden aangepakt en dus geen recept voor robuuste constitutionele debatten.

Juridisering

Er is nog een andere, meer juridische factor: de Nederlandse rechter. Deze mag wetten niet buiten toepassing laten als ze in strijd zijn met de Grondwet. De rechter mag wel toetsen of een Nederlandse wet al dan niet in overeenstemming is met het Europees Verdrag voor de mensenrechten of het verdrag van de Europese Gemeenschappen. Het oordeel over de grondwettigheid van wetten blijft echter voorbehouden aan de eigen wetgever. Deze anomalie krijgt in het meer actualiserende tweede deel van het herdenkingswerk overigens minder aandacht dan het gevaar van een `gouvernement des juges', de `juridisering' waartegen de commissaris van de koningin Van Kemenade een kruistocht met een hoog regentengehalte is begonnen.

De politieke machten van de dag hebben juist een tegenwicht nodig, zo blijkt uit verschillende bijdragen, zoals die van de Leidse hoogleraar Van Gunsteren over `goed regeren' (good governance). Hij geeft zijn betoog echter een zeer opmerkelijke draai door het ontslag van de zogeheten `super-PG' Docters van Leeuwen voor te stellen als zo ongeveer de grootste misser van het primaat van de politiek in de laatste kwart eeuw. Dat is te veel eer voor Docters van Leeuwen. Deze was aangesteld om een stroomlijning van het openbaar ministerie door te voeren. Daarbij passen uit inhoudelijk oogpunt bepaald vraagtekens, maar politiek is deze stroomlijning zeer gewenst. Wie zich zo politiek profileert als de voormalige super-PG kan niet helemaal verbaasd zijn als hij met gelijke munt wordt terugbetaald. Docters van Leeuwen legt in zijn eigen bijdrage terecht meer de nadruk op problemen als `de inhoudelijke terugtred van de wetgever'.

Zijn oude werkterrein van de strafjustitie vormt een schoolvoorbeeld. Jarenlang heeft de politie allerlei discutabele opsporingsmethoden kunnen ontwikkelen terwijl de politieke machten van de dag de andere kant opkeken of eenzijdig de nadruk legden op de noodzaak te `scoren' tegen de misdaad. Het heeft een parlementaire enquête gekost om de rechtstatelijke verhoudingen weer enigszins te herstellen.

De voormalige procureur-generaal zelf vindt de zaak-Srebrenica nog een kaliber zwaarder, want daarbij ging het uiteindelijk om betrokkenheid bij volkenmoord. Aangetoond is dat echter niet, zodat het onbehoorlijk is van de auteur om over het aanblijven van de toenmalige minister van Defensie Voorhoeve te schrijven: `Je kunt dus ministeriële verantwoordelijkheid dragen voor betrokkenheid bij genocide en niet aftreden c.q. niet behoeven af te treden'.

Cultuuromslag

Terug naar de rechtspraak. Een toetsingsrecht voor de Nederlandse rechter is aardig, maar het zou wel een hele cultuuromslag vergen. De angst om op de stoel van de wetgever te gaan zitten zit er bij de zittende magistratuur diep ingebrand. Politisering van de rechtspraak heet dat al gauw en dat is taboe in dit land. Dat taboe is natuurlijk ook een handzame dekmantel om achter weg te schuilen voor lastige vragen. `Ook de keuze voor het bestaande is een keuze', moet de befaamde jurist G.E. Langemeijer eens hebben opgemerkt. De Nederlandse vereniging voor rechtspraak wordt van oudsher gekenmerkt door `een rustige studiesfeer', zoals een van de oprichters het uitdrukte.

Deze karakteristiek is ontleend aan een eigen uitgave ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de vereniging van de hand van Joachim Adriaanse onder de titel Mits op waardige wijze... De aangehaalde rechter is mr. H.de Bie. Hij behoorde tot een generatie van magistraten die dan niet aan politiek werden geacht te doen maar die wel degelijk blijk gaven van grote sociale betrokkenheid. Rechter Nico Muller speelde jarenlang een belangrijke rol in de reclassering en de namen van de Rotterdamse rechters Overwater en mevrouw Hudig zijn nauw verbonden met de kinderbescherming.

De moderne kinderrechter ligt onder vuur, zo bleek op een congres waarvan inleidingen en verslag in boekvorm zijn verschenen. Nu had de kinderrechter-oude-stijl ook wel een combinatie van rechtsprekende en uitvoerende taken die vragen opriep. Waar bleef de afstand? Volledige anonimisering van de functie is echter ook geen oplossing. Kinderen (en ouders) in de penarie hebben aanspraak op een duidelijk herkenbaar luisterend onafhankelijk oor.

De rechtspraak heeft inmiddels het accent verschoven van magistratelijke persoonlijkheden naar `units' en `coördinatoren' en allerlei anonieme beleidsafspraken. Van de vereniging voor rechtspraak is de studiesfeer wel af nu de regering werkt aan een grootscheepse wijziging van de rechterlijke organisatie met als doel `integraal managagement'. Verdraagt zich dat wel met de rechterlijke onafhankelijkheid? De verantwoordelijke bewindspersoon, staatssecretaris Cohen (Justitie) prijst in een recent interview de universiteiten als voorbeeld aan. Daar komt hij zelf vandaan. Het is hem kennelijk goed bevallen.

Het is echter zeer de vraag of de bureaucratisering en commercialisering van `het product' wetenschappelijk onderwijs en onderzoek wel zo'n gelukkig voorbeeld vormen voor de onafhankelijke rechtspraak. De twee werkjes over de rechtspraak zijn voornamelijk van belang voor de vakgenoten. Het boek van Henssen over de advocatuur is zeker ook bedoeld voor de buitenstaander. Het vult een lacune in de rechtshistorische literatuur want tot dusver verschenen er alleen deelstudies over de Nederlandse advocatuur. De balie dateert van lang voor de Bataafse Revolutie die Henssen als beginpunt dient. De oude advocatuur presenteerde zich nadrukkelijk als een `orde' om te demonstreren dat zij iets anders was dan een gilde, meer op een lijn met de geestelijken (kloosterorden) en edelen (ridderorden). Deze historische bijzonderheid krijgt een nieuwe actualiteit door de acties van de moderne mededigingsautoriteit tegen het verbod van `no cure no pay' in de advocatuur en de beperkingen aan samenwerking met andere beroepen als accountants.

Historisch gezien is de advocatuur gecombineerd met de meest uiteenlopende bezigheden: predikant, architect BNA, tolk, medewerker van een technisch weekblad, dispacheur. De pijn zat en zit hem natuurlijk vooral in zakelijke belangen. De typerende combinatie van officium en ondernemerschap in de advocatuur zelf heeft al voor heel wat disputen gezorgd. De preciezen vonden het zelfs ongepast dat advocaten samen kantoor hielden. Kom daar nu eens om met ware rechtsfabrieken in de form van megakantoren.

Monsters

Door de jaren heen hebben advocaten ook een rol gespeeld in de politieke geschiedenis van ons land, van Daendels en Schimmelpenninck tijdens de Bataafse Revolutie tot Troelstra in de rumoerige jaren rond de Eerste Wereldoorlog tot de huidige voorzitter van de Eerste Kamer, Korthals Altes toe. Het boek begint met een boeiend portret van Jonas Daniël Meyer, de eerste Nederlandse advocaat van joodse afkomst naar wie in Amsterdam het plein is genoemd waar het beroemde beeld van de Dokwerker staat.

Door het boek gestrooid zijn allerlei typeringen van `de advocaat'. Ze zijn, hoe kan het ook anders, niet allemaal vleiend. Wel zeer vilein is de karakteristiek van een promimente laat-negentiende-eeuwse advocaat als `eerzuchtig en ijdel beide. Maar hij is bij uitstek handig, weet over moeilijkheden heen te springen, heeft een buitengewone takt om menschen in te pakken, hen in hun zwak te vleien, daarbij dubbelhartig in de grootste mate'. Voor de goede orde wast de advocaat-schrijver Bordewijk na de Tweede Wereldoorlog de geachte confrères nog even de oren over het het toenemend gebrek aan stijl, zowel in als buiten de procesvoering.

De balie heeft door de jaren heen uiteraard ook de nodige ministers van justitie geleverd. Van meet af aan heeft dit als een hondenbaan gegolden. De tweede (toen nog) `agent van Justitie' Reinier Willem Tadema (1798-99) verzuchtte: `Ik kan den taak mij opgelegt niet volvoeren. Het is mijn onmooglijk zulks te doen. In Gods name, laat mij liever geheel amptloos zijn.' Van minister Winnie Sorgdrager (1994-98), die de behandelde periode afsluit, is de verzuchting afkomstig: `Justitie is een buitengewoon ondankbaar beleidsterrein, een veelkoppig monster. Wanneer je de ene kop indrukt komt de andere kop boven.'

Het is inderdaad de portefeuille wel: abortus en euthanasie, de drie oorlogsmisdadigers van Breda, gijzeling, treinkaping en ontvoering, een opstand van kinderrechters die hun beslissingen niet zien uitgevoerd. En altijd het droevigmakende asielprobleem, vast onderdeel van de zogeheten `hoofdpijnportefeuille' van de staatssecretaris die in 1970 zijn intrede deed op Justitie. Alle bewindslieden passeren de revue, met een nadruk op de nog levende oud-bewindslieden die, evenals een aantal topambtenaren, voor dit boek zijn geïnterviewd. Dat komt de levendigheid ten goede. Veel bloed vloeit er niet uit of het zou een duidelijk ongenoegen moeten zijn met de overdracht van het korps landelijke politiediensten aan Binnenlandse zaken die door de huidige minister Korthals wordt voorbereid.

De eerste ministers/agenten zaten al met de politie in hun maag. Dat geldt ook voor actuele knelpunten als het cellentekort (al in 1889 werd geklaagd over een achterstand) of jeugdcriminaliteit die rond de eeuwwisseling ook al voor veel maatschappelijke onrust zorgde.

N.C.F. van Sas en H. te Velde (red): De eeuw van de Grondwet. Grondwet en politiek in Nederland 1798-1917. Kluwer, 311 blz. ƒ125,–

M.C. Burkens, E.C.M. Jurgens, A.K. Koekoek en J.J. Vis (red): Gelet op de Grondwet. Kluwer,

171 blz. ƒ75,–

Ivoline van Erpecum (red): Naar eer en geweten. De geschiedenis van Justitie in vogelvlucht, 1798-1998. Ministerie van Justitie/ Servicecentrum uitgevers.

200 blz. ƒ17,50

J.R. Bac en A.P. van der Linden (red): De kinderrechter 75 jaar. Reden tot vreugde? Kluwer,

121 blz. ƒ35,–

E.W.A. Henssen: Twee eeuwen advocatuur in Nederland. 1798-1998. Kluwer, 322 blz. ƒ65,–