Echt dood

Finkensieper dood.

Toch een schok. Je was bijna vergeten dat mensen die door de samenleving doodverklaard zijn, ook werkelijk dood kunnen gaan.

Als er één naam gemengde gevoelens bij me oproept, is het wel die van Theo Finkensieper.

Ik heb hem negen jaar geleden tweemaal gesproken. Eenmaal om de voorwaarden voor een interview te bespreken, de tweede keer voor dat interview zelf. Het werden moeilijke uren met een man die de publiciteit als laatste kans zag om zijn reputatie te redden. Hij vocht als een leeuw. Eerst gaf hij een interview aan de televisie (Witteman), toen aan NRC Handelsblad.

Zijn advocaat voelde er weinig voor, maar Finkensieper zette door. Hij vond dat hij niets meer te verliezen had. Achteraf heeft hij die beslissing betreurd. De interviews gaven hem bij het grote publiek een naam (tot dan was hij alleen als F. aangeduid) en een gezicht. Bovendien versterkten ze de twijfels over zijn verhaal.

Finkensieper, psychiater van beroep, heeft altijd ontkend dat hij als directeur van de jeugdpsychiatrische inrichting van Zetten meisjes seksueel heeft misbruikt. Hij vond dan ook dat hij ten onrechte zes jaar gevangenisstraf had gekregen. Zijn theorie was dat de meisjes na hun verblijf in Zetten wraak op hem hadden genomen, omdat hij hen als directeur te streng behandeld had.

Ik heb Finkensieper lang aangehoord en veel stukken over zijn zaak gelezen, maar hij kon mij niet overtuigen. Zijn verhaal had, om het zo maar eens aan te duiden, een te hoog Weinreb-gehalte.

Hij beweerde dat al zijn daden gericht waren geweest op het welzijn van de meisjes, maar tegelijk bleek dat hij vreemd was omgesprongen met zijn macht. Zoals Weinreb zich uitgaf voor arts en zijn vrouwelijke joodse cliënten lichamelijk onderzocht, zo stond Finkensieper erop dat meisjes zich uitkleedden voor onderzoek voordat hij hun vragen stelde over hun seksuele beleving.

Het stonk allemaal naar machtsmisbruik door iemand die zijn seksuele obsessies niet meer de baas was.

Die veroordeling kon ik dus wel begrijpen, maar met de hysterie van zijn tegenstanders kreeg ik steeds meer moeite. Een gevangenisstraf was in hun ogen niet voldoende, `het beest Finkensieper' moest kapot. Er verschenen advertenties met zijn naam en adres, bij inbraken in zijn huis werden foto's en brieven gestolen, en op posters in Nijmegen werd op zijn castratie aangedrongen.

Finkensieper zei tegen mij over die bejegening iets wat ik nooit heb vergeten: ,,Wat ik mensen kwalijk neem, is dat ze niet willen of kunnen zien dat een mens méér is dan zijn misdaad. Zelfs als ik het gedaan zou hebben, zelfs als ik gezegd zou hebben dat ik het gedaan had – dan nog ben je méér dan je misdaad. Je hoeft het iemand niet te vergeven, maar je moet wel zien dat ie méér is.''