Djokja toen en nu

De mooiste, meest gedegen en van overvloedig fotomateriaal voorziene boeken over het voormalige Nederlands-Indië en het huidige Indonesië komen uit Purmerend. De uitgeverij Asia Maior, die daar is gevestigd, heeft in de loop van de jaren tien voorbeeldig verzorgde platenboeken over de belangrijkste Indonesische steden uitgegeven. Batavia/Djakarta/Jakarta hoort tot die reeks, evenals Soerabaja en nu is als slotdeel het boek over de vorstensteden Djokja en Solo verschenen, ofwel Djokjakarta, het huidige Yogyakarta, en Soerakarta. De beide steden liggen in het hart van Midden-Java en zijn van oudsher de belangrijkste plaatsen van de Javaanse religie en cultuur. Nog steeds kan de reiziger zich verbazen over de schoonheid en rijkdom van het paleis van de inlandse vorsten in het hart van deze steden.

Deze hofcultuur vindt zijn oorsprong in het vier eeuwen geleden ontstane, islamitische rijk Mataram. Dit sultanaat breidde zich in de zeventiende eeuw uit over heel Java, tot zijn expansie door de Nederlandse overheersing werd beteugeld en teruggedrongen tot de kern: de kraton in het hart van Djokja en Solo. De zelfbesturende kracht van de vorstensteden en de strikte hiërarchie, waarin de sultan de hoogste plaats bekleedt, hebben bij de Nederlandse gouverneurs en bestuurders altijd eerbied afgedwongen. Toch deinsden de laatsten er niet voor terug ook de sultans aan de regels van het Binnenlands Bestuur en het Nederlandse Recht te onderwerpen. Aanvankelijk waren de vorstenlanden ingedeeld als residenties, naderhand werden ze tot gouvernement verheven en kwam er een gouverneur aan het hoofd. De contacten tussen de vorsten en het gouvernement verliepen via een tolk-vertaler.

De sultans van Djokja en Solo volgden hun opleiding in Nederland. Dat nam niet weg dat hun hart bij Java lag. De jonge vorst Hamengkoe Boewono IX zei bij zijn troonsbestijging in 1940 in een rede: `Al heb ik een uitgesproken Westersche opvoeding gehad, toch ben en blijf ik in de allereerste plaats Javaan.' De band met Nederland, kenmerkend voor de sultans, heeft van de vorstensteden altijd plaatsen gemaakt waar de westerse invloed zich even sterk liet gelden als de oosterse traditie. De bijnaam van Hamengkoe Boewono was `Sultan Henk', hem gegeven door zijn Nederlandse vrienden.

De kratons zijn een stad in een stad. Uitgebreide vestingen, omgeven door een muur, voorzien van alle noodzakelijkheden die bij een stad behoren. Djokja heeft als uniek monument het Waterkasteel, de Taman Sari. Hier beschikten de sultans over weelderige lusthoven met bassins, omsloten door palmen in potten. De sultanaten waren vermaard om de hofdansen, het wajangspel en de gamelanmuziek in de kratons. De oosterse hoofse cultuur heeft, veel meer dan de westerse, een ceremonieel en ritueel karakter. De oorsprong gaat terug tot de begintijd van het Mataramse rijk, waarbij de mythologische uitbeelding tussen goed en slecht het hoofdthema vormt. Wie ooit in een kraton een hofdans zag uitgevoerd, zal zich de precisie herinneren waarmee de danseressen hun bewegingen uitvoeren, de vingers buigen, alles in een sterk choreografisch patroon.

Een van de interessantste aspecten van de uitgave van Asia Maior is de verbinding die in de boeken wordt gelegd tussen Nederlands-Indië en Indonesië. De lezer kan elke straat met een Nederlandse naam van toen opzoeken in het register om te weten te komen hoe die nu heet. Nauwkeurige kaarten geven de geografische situatie van toen weer. Elk bergdorp staat er op aangetekend, de suiker- en koffiefabrieken. We kunnen de wegen volgen die naar de kleinste gehuchten voeren. Je gaat je afvragen hoe het leven in het vroegere Indië was in een `Kleine plaats', zoals de legenda haar aanduidt, als Kalak, helemaal aan het eind gelegen van een rode stippellijn: dat betekent `Ondernemings- of Dessaweg'. Daar heeft dus een Nederlandse plantersfamilie gewoond, mijlen verwijderd van de bewoonde wereld. Asia Maior bedient gelukkig niet alleen de nostalgie. Het hedendaagse Indonesië met brandhaarden in Noord-Sumatra, in de hoofdstad zelf, op Ambon en Oost-Timor confronteert ons met een andere realiteit dan de Nederlands-Indische. Het reusachtige eilandenrijk is ten prooi aan interne verdeeldheid en een opstandige bevolking jegens het dwingende presidentiële bestuur. De armoede in de grote steden is onrustbarend; kinderen leven er als in een Derde-Wereldland. Het heeft iets onthullends en schokkends deze foto's van eertijds onder ogen te krijgen, terwijl de huidige werkelijkheid zo gewelddadig is. Wat deze uitgaven doen, is een band met het verleden onderhouden en een historisch besef creëren dat ons alles leert over hoe de Indische samenleving van voor de soevereiniteisoverdracht in december 1949 eruit zag. De Vorstensteden zijn daarom interessant omdat zij vanouds buiten de Nederlandse invloedssfeer vielen.

De vorsten stelden zich betrekkelijk onaanraakbaar op. In Djokjakarta werd in de jaren dertig de Communistische Partij van Indonesië opgericht. Aan het eind van de stedenboeken zijn foto's opgenomen van het huidige Indonesië, dat, vergeleken met toen, een heel andere wereld vertegenwoordigt. Marlboro- en Kentucky Fried Chicken-reclame overheersen de gevelpuien, die eens gesloten en voornaam van aanzien waren. Die hedendaagse foto's zijn in kleur, waardoor het contrast met vroeger aanzienlijk wordt versterkt. Het oude Indië is een in zichzelf verzonken, stille, zwart-witte wereld, althans op de foto's. Weinig mensen, veel grote huizen omsloten door ruim bemeten tuinen. Nu is dat omgedraaid: overvolle straten, Japanse auto`s. In Djokja Solo zijn die verschillende werelden en tijden prachtig samengevoegd.

M.P. van Bruggen & R.S. Wassing: Djokja Solo. Beeld van de Vorstensteden. Asia Maior (0299-463626), 176 blz. ƒ79,50