De ware wijnstok

Onlangs was Andries Knevel de hoofdgast in het programma `Tussen hemel en aarde' dat door de KRO op woensdagavond wordt uitgezonden. Hij zei daarin: ,,Jezus zegt in het Nieuwe Testament: `Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Dat is niet een soort dogmatische waarheid waarvan ik zeg: het staat er dus dat moeten we geloven, maar ik heb dat in mijn leven heel sterk ervaren en mede vanuit die ervaring zeg ik: het zou ontzettend fijn zijn als iedereen de Here Jezus zou kennen.'' Wat verderop in het gesprek kwam die uitspraak van Jezus nogmaals ter sprake. ,,Op het moment,'' aldus Knevel, ,,dat Jezus zegt: `Ik ben de weg, de waarheid en het leven,' sluit hij de andere godsdiensten, met alle waardevolle elementen die erin zitten - en dat is iets wat wij natuurlijk ten volle honoreren - uit.'' Presentator Wilfred Kemp sputterde tegen. Waarop Knevel zei: ,,Op het moment dat God zegt: ik ben de waarheid, heb je dat maar nederig te geloven.''

Mij dunkt: hoe merkwaardig dat hier achteloos, in een handomdraai Jezus opeens gelijk gesteld wordt aan God. Alsof Jezus zelf ooit over zich gezegd heeft dat hij God was. Als vrome jood zou hij daarvan gegruwd hebben. De grote verdienste van het boek Jezus: nalatenschap van het Christendom is dat Kuitert daar zo nadrukkelijk op wijst.

Opmerkelijker nog dan het feit dat Knevel een mens opeens tot God promoveert, vind ik het feit dat hij het kennelijk volstrekt vanzelfsprekend vindt om de tekst `Ik ben de weg, de waarheid en het leven' aan te halen. Die tekst vinden we uitsluitend in het Evangelie van Johannes (14 vers 6). In hetzelfde evangelie vinden we sterk vergelijkbare, pontificale uitspraken: `Ik ben het brood des levens', `ik ben het licht der wereld', `ik ben de deur der schapen', `ik ben de ware wijnstok'. Stel dat Jezus zichzelf inderdaad op deze wijze in de hoogte heeft gestoken. Is het dan niet buitengewoon merkwaardig dat deze gemakkelijk te memoriseren uitspraken in de drie andere evangeliën volledig ontbreken?

Bij mij op school zat een opstandig meisje dat regelmatig van zichzelf zei: `Ik ben het ware lekkerbekje.' Wij hoefden dat niet te geloven. Als je naar haar keek, wist je dat het waar was. Uiteraard heeft dat meisje nog tal van andere uitspraken gedaan. Sommige daarvan herinner ik mij vaag, maar het ware lekkerbekje staat in mijn geheugen gebrand. Welnu, als Jezus inderdaad ooit over zichzelf heeft gezegd: `Ik ben de weg, de waarheid en het leven,' is dat in het geheugen gebrand geweest van zijn discipelen. Maar hoe uiterst merkwaardig dat zo'n goed te onthouden, opzienbarende uitspraak, nergens in de synoptische evangeliën wordt aangetroffen. Net zo min trouwens als: ik ben de ware wijnstok, ik ben het licht der wereld, ik ben het brood des levens. Die synoptische evangeliën zijn stuk voor stuk eerder tot veel eerder ontstaan dan het evangelie van Johannes (John Robinson beweert in zijn boek The priority of John dat het laatste evangelie eerder is ontstaan dan de andere drie evangelieën, maar geen enkele Nieuw Testamenticus die hem dat nazegt), dus als Jezus ooit zou hebben gezegd: `Ik ben de ware wijnstok', was dat zeker via mondelinge overlevering in de synoptische evangelieën terecht gekomen.

Met andere woorden: de tekst `Ik ben de weg, de waarheid en het leven' is Jezus door de onbekende schrijver van het laatste evangelie in de mond gelegd. Net als die teksten over wijnstok etc. Karen Armstrong merkt in haar boek A history of God terecht op: ,,We weten erg weinig van Jezus af. Het eerste volledige verslag van zijn leven was het evangelie van Marcus, maar dat werd pas omstreeks het jaar 70 geschreven, zo'n twintig jaar na zijn dood. Tegen die tijd gingen de historische feiten schuil onder een mythische laag.''

Bij het evangelie van Johannes, misschien pas omstreeks het jaar 120 geschreven, is die mythische laag al zo dik geworden dat er van de historische Jezus totaal niets meer te bespeuren valt.

Knevel heeft in Utrecht theologie gestudeerd. Hij moet daar in aanraking gekomen zijn met allerlei literatuur over het ontstaan van het Nieuwe Testament waaruit ook voor hem duidelijk zou moeten zijn geworden wat Karen Armstrong opmerkt: ,,In de evangeliën lijkt heel weinig van wat Hij echt heeft gezegd te zijn vastgelegd.''

Zelfs als je minder sceptisch bent dan deze gewezen non, die zo'n prachtig boek heeft geschreven over haar ervaringen in het klooster, kun je je op grond van de opzienbarende verschillen tussen het evangelie van Johannes en de drie andere evangeliën nooit of te nimmer op een tekst uit Johannes beroepen. En niet alleen beroepen, maar daaruit ook glashard concluderen: Jezus sluit de andere godsdiensten uit.

Of nog sterker: op het moment dat Jezus = God zegt: ik ben de waarheid, heb je dat maar nederig te geloven.

Een volstrekt apocriefe uitspraak, zonder enige twijfel nooit en te nimmer door Jezus gedaan. Knevel weet dat, want hij heeft theologie gestudeerd. En toch steekt hij de kop zo diep mogelijk in het zand, toch negeert hij volledig wat in de afgelopen twee eeuwen aan theologische kennis is opgehoopt betreffende het ontstaan van het Nieuwe Testament, om zich vervolgens blindelings op zo'n apocriefe uitspraak te beroepen.

Hoe moet je zo'n houding nou begrijpen? Is dit een vorm van geloven tegen beter weten in? Is dit een soort wanhoopscredo? Is het een vorm van zelfbedrog? Is het intellectuele lafheid?

Wat voor Knevel geldt, geldt voor veel (orthodoxe) theologen. Telkens krijg ik brieven waarin wordt gezegd dat de kloof tussen preekstoel en wetenschap steeds groter wordt. Waarom vertellen de dominees op de kansel niet eerlijk wat de huidige stand van zaken is betreffende historisch kritisch onderzoek van Oude en Nieuwe Testament? Er is, behalve in de hoek van de orthodoxie, geen Nieuw Testamenticus meer die nog enige waarde toekent aan het evangelie van Johannes, maar welke dominee durft dat vanaf de preekstoel te verkondigen?

Zelfs Kuitert, aan wie de intellectuele moed om de mensen uit de kerk nu eens te confronteren met de resultaten van historisch kritisch onderzoek van het NT, niet kan worden ontzegd, gaat zo voorzichtig te werk, en verpakt z'n kennis in zulke behoedzame formuleringen dat zijn boek over Jezus er akelig breedsprakig en tamelijk onleesbaar door is geworden.

Laat er toch eens een theoloog opstaan die onomwonden uit de doeken doet hoe de zaken er voorstaan. Wie durft die grote kloof tussen preekstoel en wetenschap te dichten?

Intussen is het interessant om te zien wat zo'n steile houding als die van Knevel in de praktijk aanricht. Onlangs was er voor de NCRV-radio een fraaie documentaire van Annemiek Schrijver over leerlingen van een Gereformeerd vrijgemaakte school te Amersfoort onder de veelzeggende titel `Ik ben de weg kwijt'.