De stilte van links verzet

Verzet was hun motief: vóór, tijdens en ná de Tweede Wereldoorlog. Voor de groep-Gerretsen was het een kwestie van principe. De groep kreeg haar naam pas in de tweede helft van 1943 en werd vernoemd naar Johannes A. Gerressen, die in juli 1934 tijdens het Jordaanoproer dodelijk was getroffen door een politiekogel. Gerressen was lid van de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP), die in 1932 voortkwam uit de linkse oppositie binnen de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en in 1935 met de Revolutionair Socialistische Partij van Sneevliet fuseerde. Een derde van de ongeveer twintig kernleden van de groep-Gerretsen kwam uit kringen rond de OSP.

Voor velen van hen begon het verzet met de toetreding tot de OSP. Toen in mei 1933 in Duitsland de vakbonden werden verboden, kwam er een grote stroom politieke vluchtelingen op gang naar Nederland. Deze vluchtelingen hadden valse papieren nodig. De grote man binnen de OSP achter de `emigrantenhulp' was Eli van Tijn, tijdens de oorlog onder de schuilnaam `P. Marsman', het enige kernlid dat als direct gevolg van zijn verzetsactiviteiten werd opgepakt en doodgeschoten: hij werd verraden door een Duitse jood die hem om een vervalst persoonsbewijs had gevraagd.

Leider van de groep was Albertus Oeldrich (

`Ab Gerretsen'), OSP-secretaris van de afdeling Amsterdam en werkzaam bij de Chemische & Grafische Fabriek Clichéfabriek Van Leer. Hij en zijn vrouw hadden soms acht onderduikers tegelijk in hun niet al te ruime woning op driehoog. Medewerkers van Van Leer vormden – net als OSP'ers – een derde deel van de kern van Gerretsen. De rest had een andere achtergrond.

Bas de Cort verklaart in De groep Gerretsen niet waarom de groep `Gerretsen' heet en niet Gerressen, zoals de naamgever. Wel geeft hij verklaringen voor het feit dat ze in de literatuur vrijwel niet bestaat (één vermelding bij L. de Jong), hoewel ze enkele tienduizenden valse bonkaarten per maand verspreidde en een groot deel van de persoonsbewijzen die bij de bevrijding in gebruik waren door haar was vervalst. Volgens De Cort is er überhaupt weinig geschreven over `linkse – dat wil zeggen: revolutionaire – socialisten' in het verzet. Gerretsen was bovendien een uitgesproken verzorgingsgroep, vooral gericht op praktische hulp: ondanks haar achtergrond werd de ideologische trom weinig geroerd.

De allerbelangrijkste reden is volgens De Cort echter dat het voor de oud-leden voldoende was dat zíj wisten wat ze hadden gedaan. Over hen schrijven zou tegen hun wens zijn, weet het enige nog levende kernlid J. Coerman: ze werkten vanuit een `niet-uitgesproken, maar diepgeworteld humanistische overtuiging'. Elke keer als na de oorlog aan Ab Oeldrich werd gevraagd waarom hij het allemaal had gedaan, antwoordde hij: `Vraag mij niet waarom ik het gedaan heb, vraag de anderen waarom zij het niet hebben gedaan.'

Aanvankelijk was het doel van de groep hulp aan de illegaliteit en aan onderduikers. Voor Het Parool verrichtte ze koerierswerk, wierf fondsen en verzamelde informatie. Maar nadat iedere Nederlander van vijftien en ouder verplicht werd een persoonsbewijs bij zich te dragen (zomer 1941), legde ze zich toe op het vervalsen van identiteits- en andere papieren. De vervalsingen waren van hoge kwaliteit. Een chemicus werkzaam bij Shell en een student chemie te Leiden ontwikkelden vloeistoffen waarmee handtekeningen en vingerdrukken konden worden verwijderd. Ook was men in staat de `J' uit identiteitspapieren van joden te verwijderen.

Gerretsen wist een hoge en zeer gevarieerde productie te bereiken. In collecties werden na de oorlog 104 verschillende vervalsingen gevonden. Het totale aantal moet hoger zijn. Naast Ausweise drukte men in de illegale drukkerij – aanvankelijk in de Van Musschenbroekstraat gevestigd, recht tegenover een garage van de Grüne Polizei – een grote diversiteit aan andere (identiteits)papieren: ambtelijke verklaringen, documenten voor zieken, vergunningen voor fietsbanden, inbeslagnamepapieren en papieren voor het opheffen van beslag. Dat alles gratis of hooguit tegen kostprijs verstrekt, ook toen minder goed vervalste documenten op de zwarte markt snelverdieners driehonderd gulden en daarmee winst opleverden.

Hoewel leden van de groep veel verstand hadden van drukken, waren ze afhankelijk van derden. Zo leverde Jan Ligtelijn van De Arbeiderspers letterzetsel uit de drukkerij, waarmee onder meer valse schatkistpromessen van de Nederlandsche Bank (`loterijbriefjes') werden gedrukt – op waardepapier met `haartjes' dat de Haagse drukkerij Mouton met veel moeite had weten na te maken. Er werd bovendien veelvuldig met andere groepen samengewerkt. Zo kon Gerretsen gebruik maken van de 950 nagemaakte dan wel gestolen stempels van de Persoonsbewijzencentrale van Gerrit Jan van der Veen, die op zijn beurt de 650 stempels van Gerretsen kon gebruiken. Verder leverde Gerretsen clichés aan zeker negen illegale bladen, waaronder Trouw.

Door die afhankelijkheid van derden en de veelvuldige samenwerking is het contrast tussen de enorme inzet en prestatie enerzijds en de fysieke schade die werd opgelopen anderzijds des te opvallender: slechts drie (kern)leden werden gearresteerd, waarvan één bij wijze van represaille voor de aanslag op SS- und Polizeiführer Rauter werd opgepakt en gefusilleerd en een tweede het concentratiekamp Oranienburg overleefde. Ook al omdat niemand tevergeefs bij de groep aanklopte, waardoor het risico alleen maar toenam. Zoals die arbeider die thuis joden verborg die een mentale instorting nabij waren en alleen rustig konden worden gehouden door hard op tafel te slaan en te dreigen ze te doden. Allen overleefden de oorlog.

Verzet bleef voor sommigen ook na de bevrijding het motief. Wegens de schaarste werd het noodkaartensysteem nog enige tijd gehandhaafd. Gedeserteerde Duitse soldaten die dreigden te worden uitgeleverd en in Duitsland mogelijk executie wachtten, kregen overgebleven valse bonkaarten.

Oeldrich stelde eind jaren vijftig, via de trotskisten Sal Santen en Michel Raptis, zijn kennis in dienst van het Algerijns Bevrijdingsfront (FLN). Hij werd in Duitsland – waar zijn drukkerij stond – gearresteerd en bewaakt door oud-SS'ers. Het was overigens niet de eerste keer dat hij werd aangehouden. Toen hij kort na de oorlog op vakantie naar Frankrijk wilde, hield men hem aan omdat hij op de lijst met gezochten stond: een vermelding uit 1943.

Dankbaarheid was na de oorlog toch al niet ieders deel. De weduwe van Eli van Tijn raakte door toedoen van de BVD haar baantje als bankmedewerkster kwijt. Bertus ten Dam vroeg de Stichting 1940-1945 een lening van 200 gulden, maar die werd de man die voor Gerretsen het fysiek zwaardere en gevaarlijkere werk opknapte geweigerd. Toen Daan Barug in 1985 – oud en slecht ter been – de Stichting 1940-1945 om een gift van 3.200 gulden vroeg voor een driewieler waarmee hij zijn vrouw in het verzorgingstehuis kon bezoeken, kreeg hij 1000 gulden aangeboden. Twee maanden later overleed hij.

Bart de Cort: De groep Gerretsen. Kroniek van een verzetsgroep 1940-1945. Sdu, 134 blz. ƒ29,90