De plek des onheils is te echt

Het archief dat Hans Keller ooit aanlegde met feiten en feitjes rond de moord op John F. Kennedy, bevatte één onopgeloste vraag.

Zijn jullie al in Dallas geweest?

De vraag is gericht tot Leo en Tineke Vroman, die kort geleden, na een verblijf van ongeveer een halve eeuw aan de Amerikaanse oostkust, naar Fort Worth verhuisden. Ze wonen daar nu aan het einde van Texas Street in de immense ruimte buiten de stad, op de tiende etage van een bejaardenflat, zo hoog dat wanneer het gebouw een kwart slag was gedraaid je vanuit hun appartement de sky-line van het nabijgelegen Dallas zou kunnen zien.

,,Zijn jullie al in Dallas geweest?''

Het is een reactie, gewekt door Vromans gedicht `Mrs. Kennedy'. Hij heeft het zojuist voorgelezen in de microfoon van Henny Vrienten voor diens cd van de gesproken bloemlezing Spiegelbezoek. En in de mijne voor de poëziefilm met dezelfde titel.

,,Nee'', zegt hij, ,,ik heb genoeg aan die gruwelijke beelden van toen.''

Hij doelt op het Zapruder-filmpje, 8 mm., zwart-wit, 22 seconden, dat iedereen die het wel eens heeft gezien, wide-screen en full-color, in het geheugen staat gegrift.

Ik kan niet geloven dat de schoot

waarin hij als een laatste hulde

het hoofd deed dat opeens ontsproot

tot het haar als een bloempot vulde

mee uit moet bloeien in de dood;

Mijn passie voor zijn poëzie en een oude passie, die om zo te zeggen meer van de straat is, hebben elkaar in `Mrs. Kennedy' onverhoeds gekruist. Het gedicht uit 1965 moet me destijds zijn ontgaan, maar nu is het op denkbeeldige wijze als een zoveelste getuigenis van de gebeurtenis, die me jarenlang heeft gefascineerd, alsnog terechtgekomen in de archiefdoos, waarop in mijn handschrift van toen staat gekrabbeld: de moord op John F. Kennedy, ervoor en erna.

Voor mijn vertrek naar Fort Worth-Dallas had ik van de doos het stof weggeblazen om te zoeken naar de rode draad voor mijn fascinatie van toen. Ik zou er voor het laatst trouw aan kunnen zijn nu ik de plek des onheils, 35 jaar nadat de gebeurtenis had plaatsgevonden, voor het eerst van mijn leven kon bezoeken.

Lag er nog een taak voor me?

Onderin de doos sluimerde een vraag die nog niet was beantwoord.

Welke film had er op 22 november 1963 gedraaid in het Texas Theater aan Jefferson Street in Dallas?

Ik trachtte orde te scheppen in een Amerikaans pak van Sjaalman, waarvan ik de helft was vergeten en de rest maar half had onthouden. Bladerend in die machteloze verzameling knipsels, foto's en losse notities herinnerde ik me waar ik die avond van 22 november 1963 had doorgebracht. Iedereen uit die tijd weet dat nog. Op een feestje bij vrienden, waar in de ene kamer gespannen naar de radio werd geluisterd en in de andere werd gedanst op `If I had a hammer' van Trini Lopez en `Go away, little boy' van Carol King.

Ik had die titels blijkbaar betekenisvol gevonden en opgenomen in mijn papieren huisaltaar. De moord was er het middelpunt van. Maar verder was het opgetuigd met een bizarre collectie ex-voto's, die bestond uit teksten, afbeeldingen, titels van liedjes, films, boeken, die op een of andere manier met de moordaanslag in verband stonden.

In mijn verband stonden, moet ik eigenlijk zeggen. Ik bleek met het aanleggen van mijn verzameling niet alleen de daad zelf, de omgeving en de nasleep te hebben willen vasthouden, ik had ook gezocht – met een bijna hysterisch verlangen naar samenhang – naar geheime aanwijzingen, die uiteindelijk hadden geleid tot de schandelijke dood van iemand in wie je je verwachtingen weerspiegeld had gezien, een man van je eigen tijd. Met zijn verkiezing in 1960 was niet alleen aan het Eisenhower-tijdperk een einde gekomen, ook Drees en Suurhoff en Romme konden het er mee doen.

Hij was ouder dan jij, Kennedy – 43 jaar toen hij president werd – maar niet zo oud als je ooms en tantes. Je wilde niet hier zijn, je wilde daar zijn, omdat je in pas geleerd Engels had gelezen hoe na elke koude heksenjacht een even eindeloos schijnend seizoen van warmte en blijde verwachtingen zou aanbreken, new frontiers, west of everything.

,,Een tijd lang dachten we dat het land eindelijk van ons was, nu is het weer van hen.''

Norman Mailers verzuchting fungeert als gemonteerd onderschrift bij de bewaarde foto van Lyndon B. Johnson, waarop hij wordt ingezworen als de nieuwe president, geflankeerd door de verbijsterde mrs. Kennedy in haar met bloed besmeurde mantelpak. Op die foto is ze nog geen vier uur weduwe.

Verder de voorpagina van de Dallas Morning News, die in de ochtend van Kennedy's aanstaande dood hem zwart omrand als een communistenvriend had verwelkomd, getekende stippellijnen van de enkele uren later afgevuurde fatale schoten, schimmige foto's van het venster in de zesde verdieping van het schoolboekenmagazijn aan Elm Street, van de Lincoln International Cabrio waarin het gescalpeerde hoofd van de president voorover lag in de schoot van mrs. Kennedy.

de kleine stukjes groot verstand

die daartoe slokjes adem hadden

dachten nog na toen zij tot kladden

gekoesterd werden door haar hand,

en ik moet geloven dat de tijd

waar hij haar liefde nog heel even

in meten kon, werd uitgewreven

tot zijn gevoel van eeuwigheid

dat er geen ware tijd bestaat

dan die met ons de dood in gaat.

Ik had verder genoteerd dat Kennedy's favoriete dichter Robert Frost, als een gewillig voorteken, twee maanden voor zijn eigen dood was overleden. Een president met een favoriete dichter, wie had daar ooit van gehoord?

Bij Kennedy's inauguratie was Frost gevraagd de plechtigheid luister bij te zetten met het voorlezen van een speciaal voor deze gelegenheid geschreven gedicht. Maar toen Frost het podium betrad, ontstond er kortsluiting in de microfoonkabels. Het had die januarinacht hevig gesneeuwd en de vonkende zon in de stralende vrieskou benam hem, ook door de rookwolk uit de smeltende kabels, het zicht op zijn tekst. Frost stak het papier weer in zijn zak en redde de ceremonie met het zeggen van een gedicht, dat hij al jaren uit het hoofd kende. Ook dat incident had ik als een achteraf fatale vingerwijzing in mijn Kennedy-compendium opgenomen. Verder het huisconcert van Pablo Casals, de bezoeken van Arthur Miller, André Malraux, Leonard Bernstein in de Oval Office. Mrs. Kennedy presenteerde eens de tv-reportage van een rondleiding door het opnieuw ingerichte Witte Huis. In de bewaarde Nederlandse tv-recensie is sprake van haar schrille stem, haar spichtige gestalte en het lelijke accent wanneer zij Frans sprak tot Malraux en Spaans tot Casals. Ik vond haar daarentegen op Audrey Hepburn lijken en de schrilheid van haar stem verried zenuwachtigheid omdat ze wist dat de mensen –tot in Nederlandse tv-recensies toe – door haar argeloosheid van achterdocht werden vervuld.

De pijnlijke herinnering aan het dédain, waarmee zij vanaf toen tot in haar laatste dagen is bejegend, wordt gewekt door de voortzetting van Vromans gedicht, dat nu als een nieuwe aanwinst in dit verwaarloosd archief zijn plaats heeft gevonden.

En ik geloof dat zij zo leven moet:

haar dijen zijn in sport gespierd

voor het moment waarop zijn bloed

ze zo hardvochtig heeft versierd

dat als de wrede stoet ontbindt

zij star staat tussen kind en kind

los van het zoet verleden,

de aarde en het al te aards erbarmen;

maar God, laat haar die rok verbranden

en aan de vlam haar handen warmen,

haar koude trekt tot in mijn darmen.

Van alle slachtoffers was zij de meest wetende, de langst lijdende en de onschuldigste.

Ik realiseer het me bij het filmen van haar portret, dat in de lounge van ons hotel hangt. Ze brachten hier hun laatste nacht door voor ze die ochtend van de 22ste november naar Dallas vertrokken. De foto toont haar lachend aan het ontbijt, een working-breakfast met publiek en applaus. Ik wil Vromans gedicht niet illustreren, maar van een gefilmde voetnoot voorzien, bestaande uit een selectie van de clichés, die de koningsmoord sindsdien hebben bedolven. Maar de foto is te hartbrekend. En ook naderhand in Dallas, verdampt mijn voornemen omdat de plek des onheils te echt is, te misselijk makend voor clichés.

Onderin mijn Kennedy-archief had ik ook de schaduw ervan teruggevonden: het Lee H. Oswald-archief, met daarin alles wat ik te pakken had kunnen krijgen over de dader. Over zijn feiten en feitjes was mijn archief waarschijnlijk zo uitputtend geïnformeerd geraakt om het angstaanjagend gebrek aan kennis over Oswalds motieven te maskeren. Daarin verschilde mijn archief niet van andere archieven. Wat het wel van de andere die ik kende, onderscheidde, was de vraag:welke film draaide er die middag in het Texas Theater in Jefferson Street?

In alles wat er sindsdien over de moord en de directe nasleep was geschreven, viel te lezen dat een schim was gezien in het venster op de zesde verdieping van het schoolboekenmagazijn, die na het vallen van de schoten plotseling was verdwenen: Oswald. In tegenstelling tot een mogelijke mededader, die vanachter een punthek op een morsige grashelling (in de standaardwerken `the grassy knole' genoemd) op de president zou hebben geschoten en sindsdien spoorloos is, dook Oswald circa twintig minuten na de moord op in Tenth Street. Hij werd daar aangehouden door agent Tippet, die zijn oplettendheid met de dood moest bekopen. Oswald had een tweede moord gepleegd. Hij rende weg, een hoek om, Jefferson Street in. Een schoenenwinkelier, die op het punt stond voor de lunch te sluiten, zag aan de overkant hoe iemand kwam aanhollen en wegdook in het portiek van het Texas Theater toen er politieauto's langs scheurden, gealarmeerd door de moord op agent Tippet. Vervolgens zag hij hoe de man door een zijdeur naar binnenglipte. De schoenenman vroeg aan de cassière of die vent wel had betaald. Welke vent? De schoenenman wist genoeg en belde de politie. Wat dan volgt, lijkt op een filmontknoping.

Vijftien agenten omsingelen de bioscoop, een aantal van hen gaat naar binnen, drie in de zaal, een naar de projectionist die de film moet stoppen en het zaallicht ontsteken, twee gaan er het podium op en staand voor het witte doek wijst de schoenenman in de schaars bezette zaal de gezochte bezoeker aan. En zo wordt Oswald ten slotte gearresteerd. Pas veel later begrijpen de agenten, dat ze niet alleen de moordenaar van collega Tippet te pakken hebben maar ook die van de president.

In alle standaardwerken staat de arrestatie precies zo gedetailleerd beschreven en in alle standaardwerken, die ik daar in de loop der jaren op navlooide, ontbreekt precies dat detail, dat de ontknoping zijn Hitchcock-touch, zijn theatrale betekenis zou kunnen geven.

Nergens gaat het over de film, die tijdens Oswalds bezoek aan het Texas Theater draaide – laat staan over het moment in de film, waarop de schimmen voor het doek verschenen, achter hen de film afbrak en het zaallicht aangloeide.

Welke film draaide er die dag in het Texas Theater? Was ik dan de enige die zich dat afvroeg, telkens wanneer het over Kennedy of Oswald ging?

Nu, in het echte Dallas en dus dicht bij het gezochte antwoord – de afspraak met het archief van The Dallas Morning News was al gemaakt – begreep ik opeens,dat de mogelijke betekenis van de gevonden filmtitel het nooit zou kunnen opnemen tegen de triviale directheid van de stomme getuigen, waardoor ik op en rond Dealey Plaza werd omringd: het in een historical landmark veranderde schoolboekenmagazijn, dat nu het Museum van de Zesde Verdieping huisvest, de morsige grashelling met zijn punthek waarop iemand onder andere heeft geviltstift: Only the trees know. De firma, die de Lincoln International Cabrio exploiteert en voor 30 dollar per persoon dezelfde route rijdt als destijds de president en zijn entourage, op de radiocassette het ooggetuigenverslag van de lokale radiozender, compleet met schoten en de bijbehorende paniek. En ten slotte het wekelijks opgefriste gewitkalkte kruis op het asfalt, dat de plek markeert van de fatale voltreffer. Ik had er al een tijd naar staan kijken, me afvragend wat ik ervan moest vinden. Totdat ik door de camera, in de nauwe begrenzing van het kader, dat gekalkte kruis zag blijven stilliggen, verdwijnen en weer te voorschijn komen van onder voortdurend onnadenkend passerende auto`s.

Dit filmbeeld, lang aangehouden, de foto van mrs. Kennedy, het bijbehorende gedicht – we waren klaar.

``Wil je nog weten welke film daar toen draaide?'' vroeg Vrienten. Ik aarzelde. De afspraak bij The Dallas Morning News wilde ik juist afzeggen. Mijn eigen archief had ik om zo te zeggen net vernietigd. Het was vervangen door Vromans gedicht.

Vrienten had in het Museum van de Zesde Verdieping een foto gevonden van Oswalds geboeide wegvoering vanuit het Texas Theater. De foto zat vastgeschroefd in een mahoniehouten balieblad. Er bestonden geen andere afdrukken van. Wat je zag, was de nu in Jefferson Street onvindbaar geworden art-deco bioscoopgevel, waarvoor een menigte dringende mensen en twee politieauto's. Rechtsonder de kop van Oswald tussen twee agenten, linksboven de ingeschoven cinemaletters met het antwoord:

Van Heflin and Dorothy Malone in BATTLE CRY.