De pijngrens van de liefde

Rara, wie zijn wij? Met deze vraag besluit een van de verhalen in The World and Other Places van de Britse schrijfster Jeanette Winterson. Drie vrienden vragen zich af wat ze in het leven moeten zoeken. `Goud!' roept de eerste. `Vrouwen!' meent de tweede. De derde is de filosoof: `That which cannot be found'. Ze varen op zee. Een roeier komt ze tegemoet en de zee wijkt. Datgene wat niet gevonden kon worden, heeft hen gevonden, lezen we. Dan nog een raadsel: `Who are they with fish and starfish in their hair?' Mooie zin, maar ik heb geen flauw idee wie de hoofdpersonen uit het verhaal werkelijk zijn en wat hen gevonden heeft. Ik moet Mythen en sagen uit de oude wereld, de sprookjes van Andersen, de Bijbel en overig werk van Winterson (waar schreef ze dit ook al weer precies zo?) er wellicht even bijpakken, maar ben niet onmiddellijk enthousiast. In plaats daarvan doemt er een ander beeld in me op: dat van Winterson zelf, zittend achter haar bureau, levensgroot en tevreden achterover leunend. Niet het zusje van Shakespeare, maar Shakespeare zelf.

The World and Other Places is bepaald geen easy-reading voor de zondagmiddag. Winterson is Literatuur voor Gevorderden, er zal hard gewerkt moeten worden. Wie haar wil bijbenen moet een literatuur- en kunstkenner zijn, er het liefst een intieme band met de natuurwetenschappen op nahouden, en een zekere mate van gekunsteldheid kunnen verdragen. `Analyseer mij!' schreeuwen de verhalen. Natuurlijk, literatuur hoeft niet altijd als hoestdrank naar binnen te glijden. Maar als er te lang gegorgeld moet worden, ontstaat er op een zeker ogenblik een soort Connie Palmen-effect. Een schrijver die voortdurend laat merken dat ze de slimste leerling van de klas is en dat haar intelligentie ver uittorent boven die van de gemiddelde medemens, roept irritatie op. Het is niet de vrouwelijke onbescheidenheid, het overlopen van zelfvertrouwen en eruditie, die slecht te pruimen is. Nee, het is de gekunsteldheid die me op een gegeven moment de keel uit gaat hangen. Een gekunsteldheid die soms weliswaar uitdaagt, maar er ook toe leidt dat de schrijfster op elke bladzijde overaanwezig is.

Bijna alle verhalen in de bundel zijn in de ik-vorm geschreven. De titel van de bundel verwijst naar één van de verhalen, waarin een jongetje ervan droomt piloot te worden en allerlei vluchten bedenkt en fantasiewerelden bezoekt, `other places'. In dit verhaal wordt de identiteit van de verteller in de eerste regel bekend gemaakt, maar meestal geeft de ik-verteller zich niet onmiddellijk prijs. Man of vrouw? Jong of oud? Homo, hetero of bi? Zo is `O' Brien' een vrouw, en o wee de lezer die hier, vanwege de achternaam, een man in gedachten had. Dat geldt ook voor `Gabriel Angel', die na enkele bladzijden een jong zwart meisje blijkt te zijn, of voor `Picasso', ook een vrouw. Deze kunstgreep kenden we al uit Wintersons Written on the Body (1992). In de gehele roman blijft het geslacht van de hoofdpersoon onbepaalbaar. De hoofdpersoon heeft relaties met beide seksen, voelt zich soms 'like a schoolgirl', dan weer als een 'boyscout', blijkt op de hoogte te zijn van het `nieuws' in de Playboy, maar bezoekt ook een vrouwencentrum. Zelfs in gedetailleerde fragmenten waarin de ik-figuur uitvoerig de liefde bedrijft blijft het geslacht ambigu. In The World and Other Places slaagt Winterson er opnieuw in je steeds weer te verrassen, je te confronteren met je eigen invulneigingen en categoriedenken. Meesterlijk gedaan, maar het merkwaardige aan de verhalen is dat het, wat vertelstijl betreft, niet lijkt uit te maken of de hoofdpersoon nu tien, twintig of tachtig is, vrouw of man, rijk of arm. Dat maakt soms dat je het gevoel hebt dat het om een gefragmenteerde roman gaat, en niet om een verhalenbundel. De eenheid wordt daarbij gevormd door de stokpaardjes van Winterson. Sappho, Picasso en de aartsengel Gabriël. De relatie tussen natuurwetenschappen en de beleving van tijd, schrijven en schilderen als metaforen voor de liefde en andersom. En een nieuwe passie van Winterson: het huisdier. De bundel begint en eindigt met een verhaal over een huisdier. Een hond en een schildpad, want dit biedt natuurlijk de mogelijkheid om leuke lijntjes uit te werpen naar de oudheid, als je bijvoorbeeld ook het woord `haas' en `wedstrijd' en passant laat vallen of over de ziel van het dier komt te spreken.

Tussendoor treffen we ook een verhaal aan dat zijdelings met dieren te maken heeft. `O'Brien's First Christmas' is een van de verhalen uit de bundel die ik mooi vind. Misschien wel omdat de gekunsteldheid er niet te dik bovenop ligt, en je als lezer niet onmiddellijk het idee hebt dat hier om meta-fictie gaat of naar de bibliotheek moet snellen. O'Brien, die in een dierenwinkel werkt, vraagt zich af wat ze met haar leven moet. Trouwen? Kinderen? Carrière? Huisje? Autootje? Of is ze voorbestemd alleen te blijven? 's Nachts verschijnt er een vrouw aan haar bed. Ze is een `Singing Telegram' en vertelt O'Brien dat ze een wens mag doen. Omdat O'Brien niet gestoord wenst te worden en graag verder wil slapen, maakt ze zich er vanaf met de opmerking dat ze een blondine zou willen zijn. En zo geschiedt het. De volgende dag wordt ze op haar werk overstrooid met complimenten en vraagt degene die voor kerstman speelt in de dierenwinkel haar mee uit. Of `Santa' een vrouw of een man is, blijft in het midden. Er staan leuke grapjes in het verhaal, zoals de verzuchting van O'Brien dat mensen met kerstmis van die idiote spullen kopen, plastic Jezus-babietjes en al wat meer, en dat ze haast zelf een huisdier zou kopen, want ook zij heeft toch recht op een `pet of her own', een verwijzing naar Virginia Woolfs A Room of One's Own. Knap is de wijze waarop het verhaal de sfeer ademt van het in 1952 onder pseudoniem gepubliceerde Carol van Patricia Highsmith. Deze lesbo-klassieker, over een jonge vrouw die in een warenhuis werkt en op kerstavond (a christmas `carol') een onverwacht cadeau krijgt van een oudere vrouwelijke klant met wie ze een voorzichtige verhouding begint, zingt steeds op de achtergrond mee.

Ook `The Poetics of Sex', al eerder door Winterson in 1993 gepubliceerd, is prachtig. Winterson formuleert hier antwoorden op clichés die aan lesbiennes worden toegeschreven. Waarom ga je met meisjes naar bed? Wie van jullie is de man? Wat doen lesbiennes in bed? Ben je als lesbienne geboren? Waarom haat je mannen? Winterson is geestig, maar nooit luchtig: `We hebben meer labradors nodig. De wereld is vol blinde mensen. Ze zien niet hoe waardig Picasso en ik zijn in onze liefde. They see perverts, inverts, tribades, homosexuals. They see circus freaks and Satan worshippers, girl-catchers and porno turn-ons. Picasso says they don't know how to look at pictures either.'

Het in taal vatten van verlangen en de pijngrens van de liefde, dat is de specialiteit van Winterson. Dit zijn de momenten die deze verhalenbundel, ondanks de gekunsteldheid, de moeite waard maken. De momenten waarop je de schrijfster even vergeet en je meedrijft op de golven van de taal. Dan schrijft Winterson van die zinnen die je soms naar een geliefde zou willen sturen, en waarvan je zou willen dat je ze zelf bedacht had. Uit `The Poetics of Sex': `Er mist iets en dat ben jij. Je kleren waren gisteren weg. Je schildersezel was ingeklapt en stond stil tegen de muur. Toen ik opstond en ons opgemaakte bed verliet, hing de geur van koffie in huis, maar niet jouw geur. Ik keek in de spiegel en wist wie de schuldige was. Waarom eerst het perfecte nemen en het dan kapotslaan? Sommige dingen die kapot gaan zijn onvervangbaar. Het is moeilijk geweest het afgelopen jaar. Liefde is moeilijk. Love gets harder which is not the same as to say that it gets harder to love. You are not hard to love. You are hard to love well.'

Jeanette Winterson: The World and Other Places. Vintage, 230 blz. ƒ22,50