Dansen rondom de ziel

Toen een jaar geleden aan de Universiteit van Amsterdam een heuse popprofessor werd benoemd, was de reactie – bij alle nieuwsgierigheid – er vaak een van scepsis. Haters van popmuziek zullen er een symptoom van postmoderne decadentie in hebben gezien. Menige popliefhebber heeft zich ongetwijfeld afgevraagd: moet onze muziek nu ook al door de academie worden opgeslokt? Popmuziek richt zich op de ingewanden en de onderbuik, en nodigt toch eerder uit tot dansen en meedeinen dan tot reflectie. Ziedaar de uitersten waartussen iedereen die popmuziek serieus neemt, zal moeten laveren, vooral als hij er ook nog serieus over wil schrijven. Zonder enig mentaal koorddansen lukt het niet.

Roel Bentz van den Berg, filosoof en redacteur van het literaire poptijdschrift Payola, heeft zich door deze moeilijkheden niet laten afschrikken. Zoals de lezers van het CS van deze krant weten, is hij een bedreven koorddanser die er niet voor terugdeinst op zijn stukken over popmuziek heel wat filosofie en literatuur los te laten. In 1994 bundelde hij een aantal van die stukken in De luchtgitaar en nu is er De overdaad, een nieuwe bundeling, die niet meer alleen de popmuziek maar de hele popcultuur, inclusief films en soaps, omvat.

Amerika is in dat geval nooit ver weg. Bij Bentz van den Berg blijkt de Amerikaanse mythe dan ook een onuitputtelijke bron van inspiratie. `Al mijn dromen van verlossing waren bezaaid met sterren en strepen', schrijft hij, na eerder te hebben bekend hoezeer hij er in het verleden naar streefde een tweede Elvis te worden, door zich te concentreren op diens `wezen'. Een imitatio Elvii, wordt dit ideaal – niet zonder knipoog – genoemd.

In het betreffende stuk vloeien Elvis en Jack Kerouac op een wonderlijke wijze samen. Beiden delen de `beat', die Bentz van den Berg omschrijft als `een combinatie van gelukzalig ongeduld, kosmische hartslag en het soort mystieke wijsheid dat je, zoals Allen Ginsberg schreef, opdoet `op de bodem van de wereld, omhoogkijkend of naar buiten, slapeloos, met grote ogen, alert, afgewezen door de maatschappij, aangewezen op jezelf, door de wol geverfd'.

Hier spreekt een volbloed romanticus, voor wie de filosofie (naar eigen zeggen had hij deze studie gekozen om `Alles' te weten) zich heeft verplaatst naar het alledaagse leven. Niet de theorie, maar de ervaring doet soms het voorhang van de tempel scheuren om een glimp te onthullen van het verloren paradijs dat altijd wenkt. Sindsdien gaat het hem om de `jukebox-openbaring' of de `random transcendence' (een term van Douglas Coupland), die altijd en overal kan toeslaan.

In De overdaad, een verwijzing naar `het protest zèlf als het stellen van een daad: een poëtische daad waarmee de dader tegelijk de wereld en zichzelf overwint', worden tal van zulke `openbaringen' opgeroepen, momenten van genadig inzicht in het `geheim' dat wijzelf en de wereld zijn. Even wijkt het bedrukkende besef van eindigheid voor een open volheid, die Bentz van den Berg `ziel' noemt. Nog duidelijker zijn de associaties die het Amerikaanse woord soul opwekt, want de ziel die hier wordt bedoeld heeft niets te maken met etherische bovenzinnelijkheid; het gaat eerder om een ervaring van soepele ritmiek waarbij lichaam en geest een moment samenvallen. Inderdaad een moment van `verlossing'. Vandaar dat Bentz van den Berg kan schrijven dat eindigheid en ziel in feite `twee handen op één buik' zijn.

Dirk van Weelden, een verwante geest in deze, zou van `tegenwoordigheid van geest' hebben gesproken: plotseling lijkt de wereld `in orde' te zijn en jijzelf eveneens. Met vindingrijke alertheid weet Bentz van den Berg er her en der de sporen van terug te vinden: in het acteren van de `godvergeten acteur' Harvey Keitel, in de `shuffle tussen zijn en niet-zijn' van Muhammed Ali, in de foto's van Ed van der Elsken, in een door David Hockney beschilderd zwembad in Hollywood, en waar al niet meer.

Wat zo ontstaat is het stimulerende decor voor een levensgevoel, waarvan de `ziel' het immer gezochte en soms gevonden doel blijkt te zijn. Maar altijd klinkt daarbij, als het kloppen in de slagaders, de popmuziek. Zo is het in elk geval bij Roel Bentz van den Berg die steeds, zonder zich te bekommeren om het conventionele onderscheid tussen hoge en lage cultuur, afgaat op zijn eigen ervaringen, waarvoor hij welsprekende woorden heeft gevonden die zelfs lezers zonder enige affiniteit met beat, pop of rock zouden moeten kunnen overtuigen.

Nieuwe filosofische of esthetische inzichten levert de lectuur van De overdaad niet op. Het enthousiasme van de verbeelding dat Bentz van den Berg in al zijn stukken exploreert, is van oudsher de stuff waarvan alle kunst en kunstgenot zijn gemaakt. Maar het loont de moeite dat ook aan de hand van popmuziek en popcultuur te laten zien. Bovendien kunnen verstokte popliefhebbers in dit boek ontdekken dat hun momenten van sprakeloze vervoering wel degelijk serieuze reflectie verdragen, zonder dat ze in academische abstracties ten onder gaan.

Roel Bentz van den Berg: De overdaad. Meulenhoff, 76 blz. ƒ34,90