Barbaars stoofpotje

In het altijd koude Siberië woonden lang geleden wilde mensen die wilde rabarber aten. Ze hadden geen suiker, dus aten ze hem zonder suiker. Ze woonden aan een grote rivier, en omdat ze ook wel eens iets anders wilden eten, stapten ze in hun boten en voeren ze naar het zuiden. Ze namen hun rabarber mee. Daar vonden ze honing om erdoor te doen. Het smaakte meteen heel wat lekkerder. De mensen in het zuiden hadden nog nooit rabarber gezien. Daarom hadden ze er ook geen naam voor, maar ze hadden wel een naam voor die wilde mensen. Die noemden ze Barbaren. De grote rivier heette in hun taal de Rha, hoewel het eigenlijk de Wolga was. Ze gaven de nieuwe groente de naam van de rivier en van de wilde mensen. Daarom eten wij nog steeds rabarber. Echt waar.

Behalve honing of suiker kun je ook sinaasappelsap door de rabarber doen. Pers twee sinaasappels uit. Doe het sap in een stevige pan en strooi er twee eetlepels suiker op. Of in plaats daarvan twee eetlepels honing. Rasp er wat nootmuskaat overheen en doe daarop een halve kilo rabarber. Als de rabarber jong is en mooie dunne rode stelen heeft hoef je hem niet eens te schillen. Wel wassen natuurlijk, en in blokjes snijden. Vuur aan en als het sap begint te koken deksel op de pan. Vuur laag en acht minuten laten stoven. In een kom gieten, en voordat je het opeet, in de koelkast heel, heel koud laten worden. Doet het toch nog een beetje aan heel vroeger in Siberië denken.