Staatkundig verval

AFRIKA IS IN OORLOG met zichzelf. Staten, sterke mannen, etnische groepen en clans staan elkaar naar het leven, op een grotere schaal dan ooit tevoren. Van de 45 landen bezuiden de Sahara waren er het afgelopen jaar liefst twintig gewikkeld in een gewapende strijd om de macht, strategische mineralen of grondgebied of louter om een plek onder de Afrikaanse zon. Anno 1999 is Afrika het minst stabiele continent ter wereld. De prijs voor al dit geweld is staatkundig verval, economische ontreddering en zeker 8 miljoen ontheemden.

In 1998 braken er oorlogen of gewapende rebellieën uit in Congo, Guinee-Bissau en het vanouds zo vreedzame koninkrijkje Lesotho, raakten de buurlanden en gewezen bondgenoten Eritrea en Ethiopië verwikkeld in een bloedige grensoorlog, werd de 25 jaar oude burgeroorlog in Angola in alle hevigheid hervat en werden de binnenlandse oorlogen in Soedan, Somalië, Sierra Leone en de Casamance (Zuid-Senegal) onverminderd voortgezet. De oorlogvoerende partijen in Congo wierven bondgenoten buiten de grenzen en zogen Rwanda, Oeganda, Angola, Zimbabwe, Namibië, Tsjaad en Soedan mee in de draaikolk.

De wortels van al deze conflicten zijn divers: een leiderschapscrisis, die zich openbaart in een onvermogen om de macht te delen en een onverantwoord appèl op inter-etnisch wantrouwen, een verhevigde strijd om schaarse, kostbare hulpbronnen, een steeds bredere kloof tussen stad en platteland, allengs zwakkere staten die worden geleid door steeds sterkere ego's en botsende nationalismen.

Een verontrustende variant van de Afrikaanse oorlog is de inzet door cynische potentaten van gemarginaliseerde jongeren, zowel uit dorpen als stedelijke slums, die zijn losgeraakt van hun traditionele samenlevingsverbanden en bijbehorende waarden. Zij zitten boordevol ressentiment tegen de stedelijke elites die de staatsapparaten ten eigen bate aanwenden en zich verrijken met de opbrengsten van bodemschatten. Deze ongeschoolde rekruten worden voorzien van wapens en verdovende middelen en aangemoedigd tot een stormloop op de gehate bolwerken van de macht. De poppenspelers is het te doen om de knikkers, in de vorm van staatsrevenuen, hun marionetten om de sensatie van onoverwinnelijkheid die ze ontlenen aan de bediening van een mitrailleur of kalasjnikov. Rafelige legers als de Lord's Army in Oeganda en het Revolutionary United Front in Sierra Leone zijn voorbeelden.

Terwijl Afrika een steeds kleiner aandeel neemt in de mondiale economische groei en steeds meer moeite heeft om de armoe te verdelen, trekt de Westerse wereld zijn handen af van dit continent-in-crisis en laat de beslechting van de steeds onbeheersbaarder conflictstof over aan de Afrikanen zelf. Het in Afrika ooit zo bezield beleden beginsel van non-interventie is allang achterhaald. In oorsprong binnenlandse conflicten escaleren in snel tempo tot regionale oorlogen, waarbij gewapende interventies in buurlanden meer regel zijn dan uitzondering.

Die ingrepen zijn deels een Afrikaans alternatief voor crisisbeheersing-oude-stijl. Voormalige koloniale moederlanden als Engeland, Frankrijk en Portugal zijn bij gebrek aan belangstelling en middelen minder genegen hun oude rol van politieman te spelen. Sinds het einde van de Koude Oorlog en de aftocht van Russen en Cubanen heeft Afrika in de Amerikaanse calculaties zijn strategische betekenis verloren. Een zwakke poging om ook in Afrika een `nieuwe wereldorde' te vestigen, liep dood in het bloedige doolhof Somalië. En gezien de sterke greep van de grote mogendheden op de Veiligheidsraad, zijn ook VN-operaties steeds lastiger te organiseren. Voor zover Westerlingen nog tussenbeide komen in Afrikaanse conflicten betreft het soldiers of fortune, uitgezonden door militaire consultants die worden ingehuurd om de strategische locaties te beschermen waar mineralen worden gewonnen of verscheept.

In een enkel geval zijn Afrikaanse interventies gecoördineerde pogingen van regionale organisaties om brandhaarden bij de buren te blussen. De inter-Afrikaanse legermachten ECOMOG, de gewapende arm van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) en MISAB, de vredesmacht in de Centraal-Afrikaanse Republiek, zijn tot nu toe de enige voorbeelden van `geafrikaniseerde' crisisbeheersing. Zij oogsten lof van de VN, de VS en de Europese Unie, maar de financiële steun voor hun inspanningen is zeer karig.

De hoop van Afrika is nu vooral gevestigd op regionale reuzen als Nigeria, dat eind mei terugkeert naar burgerbestuur en zijn internationale pariastatus afschudt, en het nieuwe Zuid-Afrika. Nigeria neemt nu al het leeuwendeel van de ECOMOG-inspanningen voor zijn rekening en Pretoria besloot vorig jaar voor het eerst in het post-apartheidstijdperk tot een interventie: samen met Botswana stelde het orde op zaken in door anarchie geplaagd Lesotho. Nigeria en Zuid-Afrika beschikken over militaire expertise en sterke legers, maar worden geplaagd door een economische crisis. Als het Westen crisisbestrijding in Afrika werkelijk wil afkopen, moet het dan ook royaler over de brug komen dan tot dusverre.