Skateboards achter tralies

Zelfs de naam van de stad mag niet genoemd, uit angst dat haar zoon Dennis wordt herkend en gestigmatiseerd. Dennis, dertien jaar. Hij zit ruim drie maanden vast. In het begin stond ze huilend in de supermarkt. De pakken melk en de niet aan te slepen zakken brood voor een beginnende puber; alles voorbij?

Zijn cavia zit nog in het hok. Op tafel ligt een foto van een jongen met gympies op een skateboard. Je kunt je amper voorstellen dat dit 13-jarig knaapje al ruim drie maanden verblijft in een Huis van Bewaring voor jeugdigen. Zijn misbedrijf? Het, onder bedreiging, stelen van een jas.

Ze mag hem één keer per week een uur bezoeken. Iets meenemen is streng verboden, zelfs een boek mag niet. Hem opbellen? Niet toegestaan. Eén keer per week moet ze door hermetisch afgesloten sluizen, alsof ze het moet voelen: uw kind is crimineel. Van zulke moeders komen er steeds meer. Onlangs werd bekend dat in de Amsterdamse politiecellen het aantal kinderen van 12 tot en met 15 jaar toeneemt. Het stemt tot nadenken. Horen kinderen in een politiecel? Waarom zijn ze daar beland? Is de geschiedenis van Dennis misschien wel illustratief?

Na zijn geboorte ontpopt Dennis zich als een druk, maar vrolijk kind. Zijn moeder, een ontwikkelde vrouw, voedt hem alleen op. Als hij zeven is, wordt Dennis somber en maakt hij veel ruzie. Het medisch circuit kan niets vinden. Zijn moeder gaat naar een Riagg. Daar wordt de dan achtjarige Dennis behandeld door een therapeute. Het duurt anderhalf jaar. Vorderingen blijven uit. Toch wil de therapeute door. Intussen wordt Dennis agressiever. Een politieman noemt hem een kind met een kort lontje.

Op zijn twaalfde gaat hij naar de brugklas Havo/VWO. Wegens zijn gedrag wordt hij, al snel, van school gestuurd. Waarna hij op geen enkele reguliere school nog welkom is. Hij wordt depressief. Wil uit het raam springen. Zijn moeder gaat terug naar de Riagg, alwaar men vindt dat Dennis moet worden opgenomen voor observatie, maar jammer: wachtlijst, geen plaats. Het begin van een dooltocht door instanties. Ze struikelt over de wachtlijsten en over hulpverleners die zich verschuilen achter `zo zijn onze regels'. Die regels zijn zo veelomvattend, en soms ook zo onduidelijk, dat ze alle effectiviteit de kop indrukken. Het motto van de instanties: `We kunnen niets doen'. Met die boodschap komt ook de Crisisdienst aan huis: Dennis is 12, dus wilsbekwaam: jammer. Het advies? Zet Dennis maar op straat. Wordt hij hopelijk door de politie opgepakt en komt men in actie.

Een meelevende politieman grijpt in. Dennis wordt naar een politiebureau gebracht om hem vandaaruit in de hulpverlening te plaatsen. Maar geen enkele instantie die hem wil: 12 jaar is wilsbekwaam. Het uitschrijven van een gedwongen opname wil niet lukken. Dennis zit weer thuis. De leerplichtambtenaar doet er het zwijgen toe.

Ze waagt een nieuwe stap: het aanvragen van gezinsvoogdij. Er komt een bureau Jeugdzorg op de proppen met onduidelijke casemanagers. Als het haar, uiteindelijk, lukt om een gezinsvoogd te krijgen, ontdekt ze dat deze geen tijd heeft.

Twee psychiatrische instellingen spugen Dennis snel uit: hij past niet in de groep. Aangezien geen rechterlijke machtiging is afgegeven, wordt Dennis buiten gezet. Een opvangproject voor moeilijk opvoedbare kinderen spant zich geweldig in; te laat. Dennis is te ver heen. Dan is iedereen het eens: hij moet, voor behandeling, naar een gesloten internaat – hoewel niemand precies weet wat Dennis mankeert. December 1998 komt Dennis op een wachtlijst. Hij zit nog steeds thuis. Zijn moeder probeert hem binnen te houden, maar ze kan hem moeilijk vastbinden. Voor haar ogen glijdt hij af.

Zie waartoe alle hulpverlening leidt: het kalf moet eerst verdrinken. Dat gebeurt in de tweede week van januari, wanneer Dennis, onder bedreiging, een jas van een leeftijdsgenoot steelt. In het Huis van Bewaring volgt de jongste kafkaëske verrassing: Justitie gooit hem van de wachtlijst voor een internaat. Het ministerie wil namelijk éérst de strafzaak van de gestolen jas afwachten, maar in die zaak wacht de rechter ook af – en wel op een persoonlijkheidsonderzoek.

Pas afgelopen maart is de diagnose gesteld: Dennis lijdt aan een stoornis in de impulscontrole. Hij slaagt er niet in zijn impulsen of driften voldoende te beheersen. Gedragstherapie en medicatie zijn noodzakelijk.

Het vonnis in de zaak van de gestolen jas: Dennis moet behandeld worden in een gesloten internaat. Maar hij moet opnieuw beginnen op de wachtlijst. Tot die tijd moet hij verblijven in het Huis van Bewaring. Zijn moeder noemt het tijdverlies, ,,en het werkt traumatiserend''. In het Huis van Bewaring zit Dennis, wegens zijn gedrag, vooral in eenzame opsluiting. Hij zit vol woede en verdriet.

Is dit ons jeugdbeleid? Onze cellen stromen vol met kinderen die eigenlijk behandeld (hadden) moeten worden. In hun hart groeit haat en rancune. Welke volwassenen groeien uit hen? Dennis' moeder zit met meer vragen. Hoe kan een ontredderd kind van 12 wilsbekwaam worden geacht? Waarom wordt toegestaan dat de hulpverlening een eilandenrijk is waarin ieder zich verschuilt achter regeltjes en procedures en niemand de regie neemt? In kringen van Justitie klinkt toenemend gemor dat Justitie het werk opknapt van psychiatrie en hulpverlening. Zouden ze het niet van de daken moeten schreeuwen?

Dàg Dennis van dertien. Jouw jeugd is voorbij.