Pion of leider van Kosovaren?

Zes weken na het begin van de NAVO-luchtacties, zes weken ook na het begin van de grootste `etnische zuivering' in de recenteEuropese geschiedenis, stapte Ibrahim Rugova gisteren in Rome uit het vliegtuig uit Belgrado. Maar wie is Rugova nog?

De vraag is wie gisteren in Rome de vliegtuigtrap afdaalde: een vrij man, na zes weken huisarrest weggestuurd om, zoals een Joegoslavische onderminister het een macaber gevoel voor de realiteit uitdrukte ,,het lot van zijn natie te delen'': een leider die zijn verdreven volk mag volgen? Een wandelend gevaar van goede wil van Belgrado? Of een boodschapper, uitgestuurd met geheime voorstellen? Of toch de pion die hij de afgelopen zes weken is geweest, een machteloze speler die door de Serviërs keer op keer is misbruikt? En tenslotte: is de man die gisteren die vliegtuigtrap afkwam, die frêle literatuurcriticus met zijn eeuwige zijden sjaaltje, nog wel de leider van de Kosovaren?

De eerste indicatie is dat Rugova is weggegaan om niet terug te keren: hij bracht zijn gezin mee, en dat duidt niet op een spoedige terugkeer. Hij lijkt ook geen bemiddelaar. In Rome is gezegd dat hij geen boodschappen uit Belgrado heeft meegebracht. Bovendien kan Belgrado daarvoor toch heel wat makkelijker gebruik maken van Viktor Tsjernomyrdin, die onbelemmerd toegang heeft tot elke NAVO-leider, dan van een man wiens imago danig is aangetast.

Want dat dat imago heeft geleden staat buiten kijf. Tot vier keer toe hebben de Serviërs Rugova in pr-stuntjes voor de tv-camera's gesleept, onderwijl doorgaand met een moorddadige verdrijving van zijn volk. Hij werd op 1 april met Miloševic gefilmd, ongemakkelijk kijkend, voor `overleg over een vredesplan'. Op 12 april werd hij gefilmd met de Servische president Milutinovic, drie dagen later met de patriarch aller Russen en op 28 april opnieuw met Milutinovic, waarbij werd gerept van ,,groeiend wederzijds vertrouwen''. En tussen die ontmoetingen door zat Rugova gevangen in zijn eigen huis, met op de begane grond zwaarbewapende Servische soldaten: een pion, heftig gefrustreerd (,,De Serviërs sleen kat en muis met me'', zei hij tegen een verslaggever van Der Spiegel). Een tragische figuur, machteloos en misbruikt.

Rugova is niet langer de leider van de Kosovo-Albanezen. Hij leidt in maam nog de `Republiek Kosovo' en de Democratische Liga van Kosovo (LDK), de partij die tien jaar lang de Kosovaren heeft aangevoerd in hun vreedzame verzet tegen de Serviërs, en die een regering in ballingschap leidt onder de in Bonn wonende Bujar Bukoshi. Maar zelfs de LDK heeft haar vraagtekens bij de vraag in hoeverre Rugova's imago is aangetast door zijn ogenschijnlijke collaboratie met de Serviërs in oorlogstijd.

Voor het UÇK, het Kosovo Bevrijdingsleger, is Rugova, mèt zijn LDK, verleden tijd. Het UÇK heeft in Tirana een rivaliserende regering in ballingschap gevormd onder Hashim Thaçi, de leider van de Kosovaarse delegatie in Rambouillet. Die twee regeringen gunnen elkaar het licht in de ogen niet. Die van Bukoshi beschikt over het geld van de ondergrondse `Republiek Kosovo', ingezameld onder de Kosovaarse diaspora in het Westen, en financiert daarmee nu een eigen leger, parallel aan en rivaliserend met het UÇK: de Verenigde Strijdkrachten van Kosovo (FARK). Bukoshi heeft dat al eerder geprobeerd, vergeefs, omdat zijn soldaten te vaak overliepen naar het UÇK.

De oorlog wakkert de geschillen alleen maar verder aan. Albanië heeft de UÇK-regering erkend als de enige echte van Kosovo en Bukoshi is met zijn LDK-regering in het defensief gedrongen. Hij verwijt het UÇK zijn strijders te recruteren onder de vluchtelingen in Macedonië en Albanië en hen ongetraind en slecht bewapend Kosovo in te sturen, waar ze als kanonnenvoer voor de Serviërs dienen. Het UÇK intussen bestempelt de LDK-regering als ,,onbetekenend''.

Ibrahim Rugova is geen verleden tijd. Maar hij zal in Kosovo alleen nog een leidersrol kunnen spelen als hij een heel goede verklaring heeft voor zijn gedrag van de laatste weken.