Het blijft wringen

Oorlog in de vorm van een gewapende actie tussen staten is in principe verboden. Aldus het Handvest van de Verenigde Naties. Maar er zijn uitzonderingen mogelijk.

`IN DE KRIJG zwijgt het recht'', zo luidt een befaamde uitspraak van de Romein Cicero van vlak voor het begin van onze jaartelling: silent leges inter arma. Bij het begin van het derde millennium is het humanitaire oorlogsrecht na veel schade en schande niet meer weg te denken uit de internationale betrekkingen. De grondslag voor het moderne oorlogsrecht werd gelegd op de Haagse conferenties van 1899 en 1907 en culmineerde voorlopig in de Geneefse verdragen van het Rode Kruis met bijbehorende protocollen van na de Tweede Wereldoorlog.

Maar het blijft wringen tussen het recht en de wapenen. Op een conferentie in Leiden verdedigde Barbara Harff van de Amerikaanse marine-academie in Anneapolis enkele jaren geleden de cynische stelling dat ,,een misdrijf alleen als zodanig wordt erkend omdat er straf aan verbonden is. In uiterste consequentie betekent dit dat waar geen bestraffing plaatsvindt er geen misdrijf is''. Een hoogleraar uit Oxford constateerde naar aanleiding van de Golfoorlog dat de sancties van het oorlogsrecht zo zwak zijn dat men beter kan spreken van ,,professionele standaarden'' dan van een strafrechtssysteem.

Juist op dit front is er echter beweging. De Internationale Tribunalen van Neurenberg en Tokio na de Tweede Wereldoorlog bleven bijna vijftig jaar zonder opvolger als gevolg van de Koude Oorlog. Maar in 1993 stelde de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties speciale tribunalen in voor het voormalige Joegoslavië en Rwanda. En vorig jaar werd in Rome besloten tot oprichting van een Internationaal Strafhof voor de berechting van ernstige oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid.

Niet de minste betekenis van het statuut van dit hof is dat het afrekent met het beroep op Befehl ist Befehl dat in het oorlogsrecht uit de aard der zaak een belangrijke rol speelt. Internationale berechting kan intussen slechts aanvullend zijn ten opzichte van nationale rechtspleging. Op dit front is het niet helemaal stil gebleven, getuige het proces tegen de Amerikaanse luitenant William Calley voor het afslachten van burgers in het dorpje My Lai tijdens de Vietnamoorlog.

Op de keper beschouwd vormt oorlogsrecht een contradictio in terminis. ,,Oorlog is zo'n gevaarlijke zaak'', zei de grote strateeg Carl von Clausewitz (1780-1831), ,,dat fouten die voortkomen uit humaniteit de ergste zijn.''

Toch zijn strijdende partijen door de eeuwen heen ontvankelijk gebleken voor het in acht nemen van bepaalde ,,krijgsgebruiken'', zoals de Nederlandse rechtsgeleerde en staatsman Hugo de Groot (1583-1645) het noemde. Al was het alleen uit eigenbelang. De wetten van de oorlog zijn dan ook ,,een militaire uitvinding'' genoemd. Nog steeds wordt een parallel getrokken tussen deze wetten en moderne militaire doctrines van ,,economy of force''.

Oorlogsrecht is een dubbel begrip, zo blijkt uit de klassieke (romeinsrechtelijke) terminologie. Deze maakt onderscheid tussen het aangaan van gewapende conflicten (ius ad bellum) en de regels die deze conflicten beheersen (ius in bello). In de eerste categorie valt de leer van de ,,gerechtvaardigde oorlog'', ontleend aan Augustinus (354-430) en wel verklaard uit de christianisering van het Romeinse keizerrijk waardoor het christendom zijn oorspronkelijke pacifisme verloor.

De gedachte van een gerechtvaardigde oorlog is verder ontwikkeld door Hugo de Groot, maar werd ten grave gedragen door de Verenigde Naties. Het Handvest bevat een verregaand verbod op gewapende actie tussen staten, niet alleen voor de leden van de volkerenorganisatie maar zelfs ook voor andere staten. Uitzonderingen zijn het recht op zelfverdediging en gewapende actie op bevel van de Veiligheidsraad ter handhaving van vrede en veiligheid. Dus toch een juridische opening voor de gerechtvaardigde oorlog.

Deze gedachte kent een nieuwe opleving door de militaire actie van de NAVO tegen Servië, ook al wordt de aanduiding `oorlog' officieel vermeden. De alliantie beroept zich op duidelijke uitspraken van de Veiligheidsraad ten aanzien van de Joegoslavische president Miloševic, maar de ultieme dekking van de militaire actie in de vorm van toestemming ontbreekt. De Franse premier Jospin noemt dat een uitzondering die de regel bevestigt. De conferentie van Washington ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de alliantie onderstreepte echter op subtiele wijze de toekomstige vrijheid van handelen van de NAVO.

Internationaal oorlogsrecht is neergelegd in een ingewikkelde lappendeken van verdragen en verklaringen. Ook de zogeheten rules of engagement (instructies voor de troepen) en militaire handboeken spelen een rol. Want uiteindelijk gaat het erom de man aan het front te bereiken.

Het zijn allemaal variaties op de stelregel, neergelegd in de Haagse conventie over de landoorlog van 1907: ,,Het recht van oorlogvoerenden om middelen te kiezen die de vijand schade toebrengen is niet onbeperkt.''

De ultieme vraag is of dat nog wel ruimte laat voor het kernwapen. Dit is immers geschikt om de hele wereld op te blazen. Het Internationale Gerechtshof in Den Haag bracht in 1997 advies uit over deze vraag op verzoek van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die zich eerder al door middel van resoluties tegen het gebruik van kernwapens had uitgesproken.

De stemmen in het hof staakten en de voorzitter moest de doorslag geven: het gebruik van of dreigen met kernwapens is verregaand tégen het volkenrecht maar valt in ,,extreme situaties van zelfverdediging'' niet uit te sluiten. Oorlogsrecht blijft spannend.