God moet maar geen man blijven

Waarom God een man moet blijven, zo luidde de introductie - met bijbehorende illustratie – op de voorpagina van NRC Handelsblad van 21 april op een bijdrage aan de Opiniepagina. Het bleek te gaan om het pleidooi van dr. A.A. Spijkerboer voor het handhaven van `heer' als naam voor God in de Nieuwe Bijbelvertaling. Ik moest glimlachen bij die combinatie. Feministische theologen die protesteren tegen de overwegend masculiene taal voor God wordt altijd voorgehouden dat die taal natuurlijk geen man-zijn van God impliceert. Maar zie: associaties gaan hun eigen gang en daar zit dan ook precies het probleem. Masculiene taal staat niet los van mannen, en zo staan woorden van macht niet los van mannen. Moet Gods eigennaam daar dan deel van zijn?

De gecompliceerdheid van het probleem is inmiddels bekend: Gods eigennaam (JHWH) is onvertaalbaar, maar mag ook niet worden uitgesproken. Zoekend naar een substituut kwam men uiteindelijk uit bij het woord voor `heer'. Op zich heel begrijpelijk dat in een patriarchale context een dergelijk woord met God wordt verbonden. God en (mannelijke) macht worden als vanzelf in elkaars verlengde gezien. Vanuit feministische theologie wordt nu echter gevraagd: moet dat altijd zo blijven? En: biedt een nieuwe bijbelvertaling niet een kans terug te gaan achter dit substituut naar de niet-masculiene eigennaam?

De begeleidingscommissie van het project Nieuwe Bijbelvertaling besloot om voorlopig - wegens gebrek aan alternatieven en uit respect voor de traditie - vast te houden aan `heer'. Spijkerboer gaat een stap verder: hij breekt een lans voor het woord `heer'. Via de Griekse vertaling van de Hebreeuwse bijbel is het woord `heer' - en daarmee de Godsnaam - ook met Jezus verbonden. Loslaten van het woord `heer' impliceert het breken met een veelbetekenende traditie. Spijkerboer benadrukt met dit argument de connotatie macht. Jezus vertegenwoordigde dan wel een geheel eigen macht, hij beweegt zich op het veld van de machten. Hij `concurreert' met keizer Domitianus en met Hitler.

Nu zal niemand tegen dat laatste bezwaar kunnen aantekenen. Het probleem zit er echter onder: waar het gaat om macht is lang niet altijd zo helder te onderscheiden tussen goede en kwade macht. Daarom is het van belang ook een andere onderscheiding te maken: die tussen het hebben van macht en het ondergaan van macht (met alle variaties van dien). Met andere woorden: het maakt verschil of je zelf `heer' bent en in God of Jezus je `heer' erkent, of dat je alleen of vooral geleerd hebt `heer' te zeggen. In het laatste geval komt God wel erg gemakkelijk in het verlengde te liggen van al die andere `heren'. Vandaar dat feministische theologen nu vragen: mag er ook een ander argument tellen dan `de traditie'? Heeft die traditie altijd zo heilzaam gewerkt?

De vraag is natuurlijk wat dan het alternatief is. Met alternatief bedoel ik niet een vertaling van de Godsnaam. Er zal echter iets – een substituut - moeten worden uitgesproken als de tekst wordt gelezen. Tijdens een discussie in het Amsterdams theologencafé heb ik als mogelijk alternatief-substituut `Levende' aangedragen. Nu wil ik niet suggereren dat `Levende' het enig mogelijke alternatief zou zijn. Wel klinken er – daarin weerspreek ik Spijkerboer – mijns inziens precies die elementen in door die gehoord worden in de Godsnaam: deze ene unieke God is een God die op een eigen, verrassende wijze aanwezig zal zijn. ,,Hieraan zult gij weten dat de levende God in uw midden is'', zei Jozua tot de Israelieten (Jozua 3:10). De God van Israel is een levende God en dat zal Israel merken. Zit daar dan geen machtsconnotatie in? Zeker wel, maar daarnaast nog vele andere, waaronder masculiene en feminiene. En juist die veelheid gaat verloren in dat ene woord `heer'. God moet dus maar geen man blijven.

Dr. Kune Biezeveld is docent dogmatiek aan de Universiteit van Leiden.