Geld en prestige

HET BOTERT AL LANG NIET MEER tussen de verschillende Europese instellingen. Onlangs stapte de Commissie op, verontwaardigd als zij was over een rapportage van deskundigen die weinig heel hadden gelaten van de wijze van besturen door de commissarissen. Die deskundigen werkten op grond van een akkoord tussen de Commissie en het Europese Parlement, dat een paar maanden tevoren nog op het punt had gestaan een motie van wantrouwen tegen de Commissie aan te nemen. De gevolgde procedure kreeg dan ook de werking van een welgemikte tweetrapsraket.

Nu heeft het parlement het aan de stok met de Raad van Ministers. Ditmaal gaat het niet om vermeende machinaties van commissarissen, maar om de beloning van de Europarlementariërs zelf. In de loop der jaren is deze geperverteerd tot een ondoorzichtig web van onkostenvergoedingen dat, althans in de gevoelige noordelijke regionen van de Unie, de Europese volksvertegenwoordigers de reputatie van ongegeneerde zakkenvullers en graaiers heeft opgeleverd. Dat een en ander ook te maken had met de nogal ver uiteenlopende beloningenstelsels in de diverse lidstaten en dat, afgezien van de uitwassen, compensatie van de bestaande verschillen via onkostenvergoedingen wel degelijk viel te verdedigen, was voor velen een nuance te ver. Reden om tot ingrijpende sanering door stroomlijning van het systeem over te gaan.

HET EUROPARLEMENT heeft de eigen gezondmaking voortvarend ter hand genomen. Gelijkschakeling was de norm, maar omdat voor sommige categorieën parlementariërs inkomensverliezen van duizenden guldens dreigden, werd ook in een overgangsregeling voorzien. Bij de verkiezingen volgende maand nieuw aantredende volksvertegenwoordigers zouden van het begin af aan onder het nieuwe regime vallen, de oudere gevallen zouden nog tot 2004 en zonodig worden gecompenseerd. Wie kwaad wilde kon dit plan uitleggen als een zoveelste bewijs dat de parlementariërs het met zichzelf goed menen. Wie om zich heen kijkt, moet erkennen dat in de samenleving als geheel dergelijke overgangsregelingen niet ongebruikelijk zijn. Zeker in Nederland – dat in het geval van de Europarlementariërs paradoxalerwijs wel heel gemakkelijk tot heilige verontwaardiging is vervallen.

De storm zou vermoedelijk snel zijn geluwd als niet de Raad van Ministers, de vertegenwoordiging van de lidstaten en de derde in de driehoek van politieke instellingen van de Europese Unie, de door de parlementariërs voorgestelde overgangsregeling en nog wat kleingoed had geschrapt. Sinds de botsing met de Commissie is het zelfvertrouwen van het parlement aanzienlijk toegenomen. Meer met het oog op de kosten dan op de politieke opportuniteit hebben de ministers met dit ook voor hen nieuwe verschijnsel geen rekening gehouden. De schade treft de hele Unie nu het parlement gisteren weigerde de handdoek in de ring te werpen.

DE UNIE DENKT IN en opereert met lange overgangstermijnen. Des te opmerkelijker dat de ministers nu zo kort door de bocht hebben willen gaan. Zonder een overgangsregeling zal straks ook het nieuwe parlement weinig meegaandheid vertonen om aan sanering van het eigen inkomen mee te werken. Al was het maar omdat sinds gisteren het prestige van het parlement tegenover de Raad in het geding is gebracht.