Eeuwenoude ruzies

ALS IN EEN LAND geen lawaai van conflicten is te horen, weet men dat er in dat land geen vrijheid bestaat, schreef al Montesquieu. Voor 1989 en 1991 was in het socialistische Oost-Europa geen lawaai te horen omdat er geen vrijheid bestond: men leefde er onder de dikke deken van de dictatuur. Het weinige lawaai dat er was, werd gesmoord in kampen en gevangenissen.

Sinds de fluwelen revoluties, die eerst in de kleine landen van Oost-Europa en vervolgens in de Sovjet-Unie de vrijheid brachten, is er lawaai, véél lawaai. En op veel plaatsen liep het uit op meer dan dat: op oorlog. Eeuwenoude conflicten, vooral van etnische aard, kwamen onder die dikke deken van de dictatuur uit alsof ze niet waren weggeweest, alsof de decennia van het socialisme niet meer dan een afgedwongen intermezzo waren geweest.

Het oosten van Europa is na de verdwijning van de dictatuur en de introductie van vrijheid en democratie één grote reeks oorlogen of quasi-oorlogen. Op de Balkan werd de korte Mickey Mouse-oorlog tussen de Serviërs en Slovenië in 1991 gevolgd door een grote: de oorlog om de Kroatische onafhankelijkheid van 1991, die een halfjaar duurde, maar pas in 1995 werd beslist toen de Kroaten met twee bliksemacties een eind maakten aan de Servische Republiek Krajina op hun grondgebied. Na decennia van gespannen rust sloeg Europa verbijsterd gade hoe er weer volop werd geschoten, hoe steden als Vukovar werden platgegooid, hoe Dubrovnik, de parel van de Adria, werd bestookt, en hoe stromen van berooide en getraumatiseerde vluchtelingen langs de wegen trokken. Etnische zuivering werd weer een begrip in het dagelijks woordgebruik.

Het kon nog erger. In Bosnië werd drie jaar lang gevochten. Sarajevo werd jarenlang in een ijzeren ring gelegd en gebombardeerd. Bosnië werd een land van massamoorden, van stukgeschoten steden en dorpen. Een land van oorlogsmisdaden en, na afloop van de oorlog, een land van verschrikkelijke ontdekkingen: de massagraven. Sarajevo, Mostar, Tuzla, Gorazde, Srebrenica werden namen met een verschrikkelijke bijklank. Tussen 1991 en 1995 vielen bij de drie oorlogen op de Balkan 263.000 doden, zo wordt geschat.

De vierde: Kosovo, de eerste oorlog van de NAVO. Kosovo wórdt een synoniem, voor een Balkan-oorlog die met elke bom onoplosbaarder wordt, maar ook voor tien jaar van afzijdigheid en onverschilligheid. Kosovo was al die jaren een kruitvat dat op een slechte dag zou ontploffen. Wannéér het zou ontploffen wist niemand, maar dát het zou ontploffen was zeker. Tien jaar lang deed niemand er iets aan – tot het te laat was: tot het ontplofte. Kosovo toont aan dat de internationale politiek op het gebied van het voorkomen van gewapende conflicten, alle internationale organisaties ten spijt, nog even lamlendig is als in vorige eeuwen. De geschiedenis herhaalt zich niet, de geschiedenis is alleen nooit afgelopen.

De Balkan op zich werd een synoniem, voor onoplosbaarheid van problemen, voor eeuwenoude geschillen, demonen van het verleden. De geschiedenis is er een grabbelton waaruit iedereen zijn eigen argumenten opdiept. Wie wanneer wat heeft gedaan betekent hier niets, tenzij men weet of het een Bulgaar of een Serviër, een Hongaar of een Roemeen, een Griek of een Armeniër is die het zegt.

Een voorbeeld: in Bulgarije ligt het klooster Batsjkovo. Het is een Bulgaars klooster, zeggen de Bulgaren, want het ligt in Bulgarije; nee, Batsjkovo is een Grieks klooster, zeggen de Grieken, want de codex van het klooster is in het Grieks gesteld en bevindt zich op Chiops; nee, Batsjkovo is een Georgisch klooster, zeggen de Georgiërs, want de stichter, Grigori Parjukani, kwam uit Georgië en schreef die codex behalve in het Grieks ook in het Georgisch: bovendien weerde hij Griekse monniken, want die waren sluw en twistziek; welnee, Batsjkovo is een Armeens klooster, zeggen de Armeniërs, want Grigori Parjukani schreef zijn naam in het Armeens en was dus een Armeniër, en waarschijnlijk was de codex ooit in nòg een taal geschreven: het Armeens.

Vrijheid? Democratie? De Balkan is een cirkelgang van dubbele maatstaven, intolerantie, wantrouwen en etnische afkeer. Antisemitisme, schreef Imre Kertész, is de moraal van de wanhopigen, het woeden van de zelfhaat, de vitaliteit van de ondergaanden. Het geldt voor etnische haat in het algemeen. En het oosten is vol wanhopigen.