Een verwoestende vete

In Angola woedt een burgeroorlog. Sinds het land in 1975 onafhankelijk werd, is er een gewelddadige strijd om de macht. Verslag van een 25-jarige oorlog.

VAN HET STADHUIS in Huambo is niet veel meer over, er rest meer gat dan huis. Ertegenover staat een flat van vijf verdiepingen die vrijwel onbewoonbaar is: geen ramen, halve muren, hier en daar een wapperende sponning - alsof een betonhaai zich heeft volgevreten en alleen het karkas heeft laten staan. En toch wordt er gewoond, toch hangt er wasgoed aan een lijntje. Kieskeurig kunnen de stadsbewoners niet zijn, want hele huizen zijn er niet meer in Huambo, ooit de parel van het Angolese hoogland.

De centraal gelegen provincie Huambo, met de gelijknamige hoofdstad, is al jarenlang een van de arena's waar de twee strijdende partijen, de regerende MPLA en de rebellenbeweging UNITA, hun allesverwoestende burgeroorlog uitvechten die al zeker 800.000 levens heeft gekost. Heel Angola is in de oorlog verwikkeld, maar Huambo heeft een symbolische betekenis. De stad, ooit een thuisbasis van de UNITA en nu in handen van de MPLA-regering, is in een kwart eeuw driemaal in andere handen overgegaan en is daarbij veranderd in een puinwoestijn. Huambo-stad puilt uit van de mensen, gevlucht voor het geweld op het door UNITA gecontroleerde platteland.

Het niet aflatende krijgsgeweld heeft in Angola een volksverhuizing teweeggebracht van de dorpen naar de stad. Dit dunbevolkte land (11 miljoen inwoners, 9 per km2) in het zuidwesten van Afrika wordt grotendeels bewoond door boeren, maar uit de verspreiding van de bevolking blijkt dat niet. Ruim 50 procent van de Angolezen woont in de stad, waar geen werk is, maar wel veiligheid. De hoofdstad Luanda is uitgegroeid tot een waterhoofd met vier miljoen inwoners.

De scheuren in de Angolese samenleving vinden hun oorsprong in het koloniale verleden. Angola was tot 1975 een wingewest van Portugal. De Portugezen creëerden in de stad een kleine elite van geschoolde zwarten en kleurlingen, waaruit de van oorsprong marxistische guerrillabeweging MPLA sinds de jaren vijftig haar kader betrok. In het noorden van Angola, het woongebied van de Bakongo, ontstond aan het begin van de jaren zestig een verzetsbeweging op etnische grondslag, de FNLA, die werd geleid door ballingen in buurland Congo en die, gezien de linkse oriëntatie van het MPLA, de voorkeur had van de Amerikanen. Kort daarop splitste zich van het `buitenlandse' FNLA een derde beweging af, die steunde op de boeren van Midden- en Zuid-Angola, de UNITA. Deze controverse tussen stedelijk en plattelandsverzet waart als een spook door Angola.

De onderlinge tegenstellingen bleven in de eerste jaren van de guerrilla beperkt met het oog op de bestrijding van de gezamenlijke vijand: Portugal. In januari 1975 sloten de drie partijen een akkoord over samenwerking, dat er prachtig uitzag. Het bleek schone schijn, de messen lagen klaar. Nog voordat de onafhankelijkheid op 11 november 1975 werd uitgeroepen, gingen de Angolezen elkaar te lijf.

De nieuwe staat werd vervolgens een frontlijn van de Koude Oorlog. FNLA en UNITA kregen steun van het Westen en van het door blanken bestuurde Zuid-Afrika, dat in een door het MPLA geregeerd Angola een nieuwe uitvalsbasis zag voor het zwarte verzet tegen de apartheid. Aan de vooravond van de onafhankelijkheid viel een Zuid-Afrikaanse legermacht Angola binnen, ter ondersteuning van FNLA en UNITA. Daarop kreeg de eerste president, MPLA-leider Neto, logistieke steun van Moskou en militaire assistentie van Cuba.

Jarenlang golfde de strijd op en neer. De FNLA werd vermalen tussen de twee andere facties, wat de overzichtelijkheid ten goede kwam. De oorlog verwoestte het land, dat ooit een bloeiende landbouw kende en een grote hoeveelheid delfstoffen en mineralen herbergt. Angola mag zich de trieste wereldkampioen van de landmijn noemen: op het uitgestrekte platteland is geen vierkante meter meer veilig.

Door de kentering in de wereldpolitiek aan het einde van de jaren tachtig veranderde Angola slechts ten dele. Met het wegvallen van de `socialistische' staten verdween ook het strenge marxisme-leninisme van de MPLA. En UNITA-leider Savimbi kon na de opheffing van de apartheid niet langer een beroep doen op zijn blanke vrienden in Zuid-Afrika. Maar de oorlog ging door.

Tweemaal kwamen vredesregelingen tot stand, tweemaal werden ze weer verbroken. In mei 1991 tekenden UNITA en MPLA onder auspiciën van de Verenigde Naties in Portugal een overeenkomst die voorzag in het houden van vrije verkiezingen en het delen van de macht. De gang naar de stembus had, in 1992, inderdaad plaats. De MPLA kwam als duidelijke winnaar uit de bus: 129 van de 220 te verdelen zetels gingen naar de partij van Neto's opvolger, José Edoardo dos Santos, die als presidentskandidaat iets meer dan 50 procent van de stemmen kreeg. Maar Savimbi wilde zijn nederlaag niet accepteren en greep opnieuw naar de wapens. De gevechtsronde die volgde, kostte in enkele maanden tijd aan duizenden mensen het leven en legde steden als Huambo in de as.

Het regeringsleger herstelde zich en in 1994 werd een tweede vredesakkoord gesloten, ditmaal in de Zambiaanse hoofdstad Lusaka. De VN spaarden kosten noch moeite om het vredesproces op gang te brengen. De strijdende partijen zouden worden ontwapend, UNITA zou haar intrede doen in het parlement, op basis van de verkiezingsuitslag van 1992, en Savimbi zou vice-president worden. Opnieuw was het papier mooier dan de werkelijkheid. Het wantrouwen tussen de partijen bleek zo groot dat het de VN-macht tot wanhoop dreef. Vorig jaar leek het er even op dat Savimbi inderdaad zijn intrek in Luanda zou nemen, maar hij kwam, zag en vertrok weer naar zijn binnenlanden.

In december 1998 bulderden de kanonnen opnieuw. Ditmaal namen de regeringstroepen het initiatief tot de aanval. Maar tot verrassing van de regering sloeg UNITA onmiddellijk hard terug. Savimbi zette een tegenoffensief in dat Dos Santos nog lang zal heugen. Razendsnel wisten de rebellen grote delen van het land in handen te krijgen.

Waar Dos Santos zich op verkeek, was de grote hoeveelheid wapens die UNITA had weten achter te houden tijdens de `ontwapening' door de VN-macht. Sterker nog: UNITA bleek zich in de tussentijd aanzienlijk te hebben versterkt. Het treedt het regeringsleger tegemoet met zware wapens, waaronder tanks en - waarschijnlijk MiG-gevechtsvliegtuigen, voornamelijk afkomstig uit Oost-Europa. Het aantal inzetbare manschappen van UNITA wordt geschat op 15.000. Op papier telt het goed van militaire hardware voorziene regeringsleger 85.000 soldaten, maar de meesten zijn inderhaast geronselde, onervaren dienstplichtigen.

Waar gaat de strijd nu nog om in Angola? Macht, pure macht. Met het verdwijnen van de internationale wedkamp der ideologieën viel de MPLA door de mand: dezelfde leiders die voorheen het socialisme huldigden, ontpopten zich tot ordinaire zakkenvullers. Jonas Savimbi was dat van meet af aan en hij is dus nauwelijks veranderd. De minerale rijkdom garandeert intussen dat de oorlog kan worden bekostigd. Terwijl Savimbi zich over de diamanten ontfermt, beheert Dos Santos de oliebronnen. En de buitenlandse klanten spekken de oorlogskassen.

De vooruitzichten op vrede zijn niet goed. Het lijkt erop dat de oorlog zich regionaal zal uitbreiden. Namibië en Zimbabwe hebben Dos Santos verzekerd van steun in de strijd tegen UNITA. UNITA kan op de sympathie rekenen van de elite in Zambia.

Angola 1999 is nog even ver als Angola 1975. Veel oudere Angolezen zeggen zelfs dat de situatie 25 jaar geleden een stuk beter was. Het Portugese koloniale bewind bestond niet uit lieverdjes, maar was nog te verkiezen boven de alles verwoestende vete waaraan het land nu is overgeleverd.