Een militaire revolutie

Warmtebeeldcamera's, satellieten, robot- vliegtuigen, radarbeelden, sensoren – moderne oorlogvoering verloopt via computers en telecommunicatie. Een aanval is bijna live te volgen.

IEDER TIJDPERK BRENGT wapens voort die de jongste oorlog tot de allerlaatste lijken te zullen maken. Strijdgassen bijvoorbeeld, die in april 1915 aan een Vlaamse frontsector bij Ieper hun intrede deden, leken aanvankelijk iedere gewapende weerstand te kunnen smoren en daardoor overbodig te maken. Het technisch vermogen om zware bommenwerpers te produceren, zou de bouwers, althans volgens het gedachtegoed van de Italiaanse generaal en strateeg Giulio Douhet, een ultiem wapen in handen geven. De vliegtuigen hoefden, volgens een essay van zijn hand uit de jaren twintig, hun lading maar af te werpen boven de vijandelijke bevolkings- en industriecentra en het land zou capituleren.

En kort geleden nog, vlak na de Tweede Wereldoorlog, leek de atoombom alle andere wapentuig tot peuterspeelgoed te reduceren.

Inmiddels zijn we wijzer – but sadder. De invoering van wapentuig van wat voor kolossale destructiviteit of dodelijkheid dan ook, heeft hooguit een remmende werking op het uitbreken van nieuwe oorlog. De Geallieerden trokken zich in de Tweede Wereldoorlog gewoon niets aan van het bestaan van de Duitse zenuwgassen soman en tabun, waarvan een mistdruppeltje een volwassen man kan doden. De Hezbollah-strijders in Zuid-Libanon lijken ook niet bijzonder onder de indruk te zijn van de Israelische kernmacht.

En de Joegoslavische president Slobodan Miloševic behandelt dezer dagen Douhets doctrine ook niet als klassieker. Waarom zou hij? Bij conflicten tijdens dit fin de siècle geldt niet alleen maar de wet van de sterkste. Uit naam van de publieke opinie moet Goliath zich inhouden. Wat voor wapens de komende eeuwen nog zullen worden uitgevonden, het Franse gezegde l'avant guerre, c'est maintenant zal, naar het zich laat aanzien, altijd geldig blijven.

Stel dat iemand als Giulio Douhet, een techniek-optimist bij uitstek, vandaag uit zijn graf zou herrijzen en een jaargang Jane's Defence Weekly mocht inzien. Welk type wapentechnologie zou hij beoordelen als absoluut doorslaggevend in huidige conflicten – de B-52 en de atoombom even buiten beschouwing gelaten?

Hij zou waarschijnlijk zeggen: de sensor-, telecommunicatie- en computertechnologie. De revolutionaire vooruitgang die sinds de jaren zeventig op deze drie gebieden is geboekt, heeft de obstakels waarvoor alle militairen sinds mensenheugenis stonden, radicaal verminderd. Sensoren als warmtebeeldcamera's en radar hebben van de nacht een dag gemaakt – voor waarnemers en slimme bommen. Radio of datalinks maken het mogelijk informatie – spraak, beeld – door te geven aan eenheden een frontsector of desnoods, via de satelliet, een continent verderop. En computers zijn de olie in de oorlogsmachine, in staat om miljoenenmaal sneller berekeningen uit te voeren dan Douhets rekenliniaal.

Dat de hedendaagse militairen nauwkeuriger de vijand kunnen raken, sneller kunnen vliegen of over grotere afstand met elkaar kunnen communiceren, betekent op zichzelf geen doorbraak. Dat dit tegenwoordig allemaal tegelijk kan gebeuren, is de reden waarom militairen spreken van een Revolution in Military Affairs, een revolutie in militaire aangelegenheden. De afkorting RMA is dan ook onderwerp van menig college op de krijgsscholen van Washington tot Moskou, en van Damascus tot Belgrado.

Wat deze revolutie vermag, is het best uit te leggen met een paar voorbeelden. Een uit de praktijk: een aanval op een brug tijdens Allied Force in Joegoslavië. En een aan de hand van een theoretische casus, een Chinese raketaanval op Taiwan. Of liever gezegd: een half-theoretisch geval, want China hield al eens, in maart 1996, een `oefening' waarbij raketten in de Taiwanese kustwateren terecht kwamen.

Iedere bom die in Joegoslavië een brug – of een bus – treft, is het resultaat van een heel netwerk van naadloos samenwerkende onderdelen

Allereerst moet een doellijst worden opgesteld. De doelen kunnen – informatie vergaard door vluchtelingen of spionnen even daar gelaten – worden opgemerkt door foto- of radarsatellieten, verkenningsvliegtuigen uitgerust met fotocamera's, radar of elektronische afluisterapparatuur. Al deze elektronica kan ook aan boord van robotvliegtuigen zijn geïnstalleerd. Met behulp van het satellietnavigatiesysteem GPS kan de locatie vervolgens zeer nauwkeurig worden vastgesteld. Wat een of meer van deze systemen waarnemen, wordt via een datalink doorgeseind naar een communicatiesatelliet, een soort relais, die de informatie op zijn beurt doorgeeft aan het NAVO-hoofdkwartier in het Italiaanse Napels.

De coördinaten van bunkers of ander militair belangrijk onroerend goed worden in een databank opgeslagen. De opstellers van een dagelijks aanvalsplan, de zogenoemde Air Tasking Order, ATO, pikken een doel uit dit bestand, waarna gevechtspiloten worden `gebriefd' waar ze naartoe moeten vliegen. Andere inlichtingenkanalen – alweer satellieten, spionagevliegtuigen, vliegende radarposten of robottoestellen – gaan na of zich ook luchtafweer in de buurt van het doel bevindt. De piloot, die permanent met vliegende radartoestellen en commandotoestellen in verbinding staat, koerst naar de brug, vertrouwend op een driedimensionale digitale kaart, die met behulp van radarbeelden van een satelliet is vervaardigd.

De vlieger richt zijn laser-doelaanwijzer op de middensectie van de brug en werpt de bom af. De camera in het vizier seint via een soort modem de beelden van de actie door naar de vliegende commandopost. Indien de NAVO-opperbaas, Wesley Clark, toevallig in Napels is, kan hij bijna live de aanval volgen. Omdat dit complexe netwerk haast als één organisch geheel opereert, wordt het ook wel omschreven als het system of systems.

Nu het theoretische voorbeeld. In het jaar 2002 lanceren Chinese raketbatterijen, die goed gecamoufleerd staan opgesteld in de regio tegenover de `afvallige provincie' Taiwan, een salvo ballistische raketten af. De warmtegevoelige sensor aan boord van een Amerikaanse DSP-satelliet – van: Defense Support Program – die hoog boven Azië `staat', ziet als eerste de hete uitlaat van de opstijgende raketten. De computers aan boord van de kunstmaan berekenen het traject van de raketten en geven de waarschijnlijke inslagpunten meteen door aan een grondstation van Space Command, het commando dat de bewegingen van alle objecten in de ruimte bijhoudt.

De raketbaan wordt ook direct doorgegeven aan drie met Aegis-radar uitgeruste kruisers die zich in wateren achter Taiwan ophouden. De drie schepen hebben ieder een ander radarbeeld van de naderende raketkoppen, maar via het CEC-systeem – dit staat voor: cooperative engagement capability – dat de mogelijkheid biedt de gevechtsinformatie te combineren, krijgt elk schip een nauwkeurige indruk van de tactische situatie. De drie schepen vuren daarop aangepaste Standard-luchtdoelraketten af op de aanstormende koppen. Die worden één voor één onderschept en ze plonzen ongevaarlijk in Straat Taiwan. De hele sequentie lancering-observatie-onderschepping heeft nog geen tien minuten geduurd.

Alle militaire analisten geven hoog op van de technische mogelijkheden zoals die hierboven in de twee voorbeelden zijn geschetst. Toch zal de objectieve waarnemer één brandende vraag moeten stellen. Wat zou iemand als Wesley Clark vinden, wanneer hij in 2099 uit zijn graf zou herrijzen en een jaargang Jane's Defence Weekly inzag?

WAPENS