Cultuurbeleid

In zijn artikel van 1 mei neemt Pieter Kottman het cultuurbeleid van staatssecretaris Van der Ploeg op hardhandige wijze op de korrel. Hij plaatst vraagtekens bij politieke prioriteiten als jongeren en multiculturele groepen en bepleit het bestaan van een autonome ontwikkeling van de kunsten, zonder al te veel ingrepen van de kant van de overheid. Opvallend is dat de organisatie van het cultuurbeleid zelf buiten zijn beschouwing blijft. De vraag moet gesteld worden of juist in de huidige organisatie van het cultuurbeleid niet al veel misverstanden verscholen liggen.

Een staatssecretaris dwingt nu met behulp van de Raad voor Cultuur van bovenaf een beleid af. Honderden (vierjaarlijkse) beleidsplannen worden door instellingen ingeleverd, maar de rechter moet eraan te pas komen om een zorgvuldige behandeling af te dwingen. De ervaring leert dat vele kunstmanagers de cultuurpolitieke prioriteiten van de bewindsman overnemen uit angst dat subsidie hun zal worden onthouden.

Dat het cultuurbeleid meer van onderop moet worden ontwikkeld hebben Freek van Duijn, Hans Muiderman, Ine Timmers en ondergetekende beschreven in hun essay `Het kan, nee moet Anders'. In dit essay pleiten zij voor een concentratie van cultuurbeleid bij de tien grootste gemeenten van Nederland. In deze gemeenten is veel kennis aanwezig hoe vorm gegeven kan worden aan een boeiend cultureel leefklimaat.

Het probleem van het huidige beleid is dat het vasthoudt aan verouderde structuren en geen gebruik maakt van de culturele dynamiek van een grootstedelijke omgeving.De voorgestelde aanpak zet het huidige cultuurbeleid bewust geheel op zijn kop. Het artikel van Kottman maakt onbedoeld duidelijk hoezeer noodzakelijk deze transformatie is.