Bloedig model

LATIJNS AMERIKA is de oorlog even voorbij. Tot eind jaren tachtig was het continent een slagveld in de Koude Oorlog, na het vallen van de Muur kwamen de oude vijanden tot een vergelijk. Behalve in Colombia. De burgeroorlog aldaar biedt een bloedig model voor de toekomst.

Hét moment in de recente geschiedenis is 1959, toen het rebellenlegertje van Fidel Castro Havana innam en van Cuba een marxistische heilsstaat maakte. Opstanden, gevoed door het sociale onrecht, waren voorheen ook al regel in Latijns Amerika; de Verenigde Staten grepen op hun beurt routineus in als handelsbelangen werden geschaad.

Na 1959 werd de inzet vertienvoudigd: guerrillabewegingen zochten steun in het Oostblok, Amerika ging zich systematisch bemoeien met verzetsbestrijding, nationale legers richten het geweld naar binnen en voelden zich door de doctrine van `nationale veiligheid' gerechtigd de macht te grijpen. `Vuile oorlogen' en moordpartijen werden de norm.

In Midden-Amerika kwamen links en rechts begin jaren negentig tot een vergelijk. Guerrillastrijders verlieten de jungle en namen als politieke partij deel aan verkiezingen, legers trokken zich terug in de kazernes. Een `waarheidscommissie' heeft in Guatemala onlangs een voor het leger vernietigend rapport gepubliceerd; elders houdt men het verleden liever begraven.In de nasleep van de burgeroorlogen kampen oude hot spots in Midden-Amerika met een misdaadgolf, vaak veroorzaakt door oud-strijders die hun draai niet kunnen vinden en zwakke lokale autoriteiten. In Guatemala leidt dat tot een hausse aan lynchpartijen.

Dat betekent overigens niet dat de guerrillastrijd helemaal verleden tijd is. In Nicaragua is sprake van `herbewapende' Sandistische groepen, in Mexico woeden opstanden tegen het centrale gezag in deelstaat Chiapas en de buurstaten. Sinds 1994 wordt in Chiapas sporadisch gevochten; subcommandante Marcos, de leider van de `Zapatisten', heeft tijd over om geestige video's te maken en een kinderboek te schrijven. En het leger heeft het geweld aan paramilitaire groepen uitbesteed. De beweging EPR in buurstaat Guerro is veel actiever.

Verder naar het zuiden hebben de strijdkrachten in de jaren zeventig elke marxistische oprisping in bloed gesmoord. Het model was Pinochets Chili, waar een experiment van president Allende vanaf 1973 ten koste van zo'n 3.000 moorden werd beëindigd. Argentinië, Uruguay en Bolivia maakten even hardhandig korte metten met hun linkse verzet.

In de Andeslanden verdwenen de spoken van de Koude Oorlog minder eenvoudig. In Peru leken het maoïstische, meedogenloze `Lichtend Pad' en de kleinere Tupac Amaru tot in de jaren negentig aan de winnende hand. Door de draconische methoden van president Alberto Fujimori keerde het tij. Een romp van het Lichtend Pad leidt nog een sluimerend bestaan.

Colombia is de grote uitzondering. Ruim 35.000 slachtoffers heeft de burgeroorlog de afgelopen tien jaar gemaakt. Gezien de taal die de partijen hanteren - god, vaderland en gerechtigheid ter rechterzijde, volk, revolutie en gelijkheid ter linkerzijde - heeft de tijd hier stilgestaan. Maar schijn bedriegt. Colombia hoeft niet zozeer te vrezen voor een marxistische revolutie of een fascistische dictatuur, maar voor desintegratie en feodalisering.

De linkse groepen FARC en ELN heffen belasting over coca -en papaververbouw, bewaken drugslaboratoria, verkopen drugs voor wapens en houden een afpersings- en ontvoeringsindustrie in leven. Ideologie is vooral een excuus: voor rechts om kleine boeren van hun land te jagen en in drugs te handelen, voor links om de olie-industrie af te persen en in drugs te handelen. Links noch rechts maakt echt haast met de mars op Bogota, zoals de VS vrezen, want het leven buiten de wet bevalt uitstekend. Er zijn zoveel rijkdommen te verdelen tussen de krijgsheren: cocaïne, smaragd, olie, land.

Bij dit alles is het onmogelijk de ouderwetse oorlog te onderscheiden van de moderne drugsoorlog. Cocaïnekartels werken zowel met links als met rechts samen, en iedereen heeft belang bij een zwakke centrale macht. Dus treft het dat Colombia tot 1998 geregeerd werd door de van narco-corruptie verdachte Ernesto Samper. Het zwakke Colombiaanse leger moest herhaaldelijk in het stof bijten. Verloor de linkse guerrilla terrein, dan was dat tegen rechtse bendes. Tegen die achtergrond is pessimisme over een vredesregeling op zijn plaats.