Servische televisie 2

Het artikel van Coen van Zwol `Bommen op staatstelevisie zijn niet misplaatst' (NRC Handelsblad, 26 april), is een perfect voorbeeld van de huidige blindheid van de opinies met betrekking tot de crisis in Klein-Joegoslavië.

Van Zwol is goed geïnformeerd over de media in Servië gedurende de laatste decennia. Hij heeft gelijk dat het een Bastille was, een hoeksteen van de dictatuur, dat de paranoia van de Serviërs deels door de staats-tv is opgestookt, en dat de grens tussen militaire en civiele doelen altijd vaag is. Ik zou dezelfde argumenten gebruiken in een discussie over het repressieve regime van Miloševic, maar zijn conclusie over de plaats waar de bommen terecht moeten komen, is bij mij verkeerd gevallen.

Als bommen terecht zijn gekomen op de staats-tv en vijftien mensen zijn omgekomen, kan niemand zijn toevlucht nemen tot het argument dat dit een ondersteuning is van een radicale aanpak van het regime in Belgrado. Bovendien bevonden zich tussen de slachtoffers geen collegae redacteuren, journalisten of regisseurs van Van Zwol. Alleen technische medewerkers, gewone mensen. In oorlogstijd zijn de media een van de eerste doelwitten van de militairen. Respectievelijk, in oorlogstijd zijn informatievoorziening en waarheid onder de eerste slachtoffers gemaakt door politici. Zijn de studio's van de BBC, CNN en sommige westerse kranten soms ook een aardig doelwit voor bommen?

De publieke opinie in het Westen heeft een lange traditie en is zeker sensitiever dan die in Servië; bovendien is zowel de toegankelijkheid van de informatie groter dan de keuzemogelijkheid. Misschien kunnen we de bommen op de staats-tv vergelijken met het sluiten van B92 door Miloševic. Maar die actie kostte geen levens. Vandaag zitten de NAVO en Milo sevic op hetzelfde spoor, het spoor van geweld.