Paradijselijk paradigma

Beleggers geloven, getuige de stijging van het Dow Jones-gemiddelde, al lang in een `nieuw paradigma' voor de Amerikaanse economie: inflatie is niet langer beursvijand nummer een. Maar hoe `nieuw'is het paradigma eigenlijk?

Zo had het moeten gaan: de economie van de Verenigde Staten groeit onstuimig op basis van de drietrapsraket export, investeringen, consumptieve bestedingen. De industrie bereikt na een jaar of vijf de grenzen van haar capaciteit, de werkloosheid daalt naar de gevarenzone van 5 procent. De loonkosten schieten omhoog, bedrijven permitteren het zich nu hun prijzen te verhogen en de inflatie begint op te kruipen.

Bang voor die inflatie schroeft de centrale bank de korte termijnrente op. De obligatiemarkt schrikt en stuwt de langetermijnrente eveneens omhoog. De economische groei zwakt af tot het tempo dat de centrale bank nodig acht om de inflatiedruk weg te werken. De aandelenkoersen zijn dan al lang gecorrigeerd, op basis van verslechterende winstverwachtingen van bedrijven en het nadelige effect van de opgelopen rente op de waardering van aandelen op de beurs.

Zo gaat het nu niet. Als de Amerikaanse economie zich volgens de regels had gedragen, had de neergang van de cyclus zich in de loop van 1997 al moeten aankondigen. Zoals de ontdekking van een nieuw elementair deeltje het standaardmodel van de natuurkunde overhoop kan gooien, zo lijken de kwartaalrekeningen van de Amerikaanse economie nu telkens een nieuw gat te schieten in het `standaardmodel' van de conjunctuur. In 1999, jaar nummer acht van de huidige expansiefase, staan alle cijfers op hun kop.

Afgelopen vrijdag bleek dat de economie ook in het eerste kwartaal van dit jaar flink is doorgestoomd: 1,1 procent van kwartaal op kwartaal. In de VS wordt dit cijfer `geannualiseerd' door het pro forma tot de macht vier te verheffen. Zo komt de in de nieuwsberichten gemelde 4,5 procent groei uit de bus. Op de `Europese' manier, gewoon de groei ten opzichte van hetzelfde kwartaal een jaar eerder, bedroeg de economische groei in de VS 4 procent.

Dit voor een volwassen economie extreem hoge tempo houden de VS nu al drie jaar lang vol. En ook 1999 belooft - calamiteiten daargelaten - weer een topjaar te worden. Dat heeft voor een deel te maken met de statistische gevolgen van het gunstige eerste kwartaal. Zelfs als in het resterende deel van 1999 de economie van kwartaal op kwartaal niet meer groeit, dan resteert straks over het gehele jaar nog een groei van ruim 2,7 procent.

Tegelijkertijd daalt het capaciteitsgebruik van de industrie, bedraagt de inflatie 1,7 procent en toont de groei van de lonen en loonkosten een dalende tendens. En dat bij een werkloosheidspercentage van 4,2 procent over maart. Voor april, waar aanstaande vrijdag het werkloosheidscijfer over wordt gepubliceerd, wordt een percentage van 4,1 verwacht.

Een van de bestuursleden van de Amerikaanse centrale bank, Alice Rivlin, vroeg zich vorige maand dan ook openlijk af of het `oude' verband tussen werkloosheid en inflatie niet is gebroken. Vraagtekens worden nu gezet bij de oude regel dat een volwassen economie niet langdurig kan groeien boven de 2,5 procent zonder inflatie aan te wakkeren. Of de oude regel dat er een niveau van de werkloosheid is, voor de VS 5 procent, waaronder looninflatie losbreekt.

Dit `nieuwe paradigma', dat uitgaat van een structureel hogere productiviteit die prijsstijgingen onnodig, en structureel grotere concurrentie die prijsstijgingen onmogelijk maakt, is op de effectenbeurs al meer dan twee jaar gemeengoed. De gedachte sijpelt nu ook in academische en bestuurlijke kring door.

Maar betekent dit dat de economische groei voorlopig niet meer door een recessie zal worden onderbroken? Misschien is de inflatiedruk enkel uitgesteld door het prijsdrukkende effect van de Azië-crisis.

Nu de olieprijs opveert naar 17 dolar, en de wereldeconomie herstelt, kan inflatie alsnog toeslaan. En misschien wordt de cirkel van hogere beurskoersen, beleggingswinsten, oplopende consumptie, economische groei en hogere beurskoersen binnenkort doorbroken.

Zelfs als dat niet gebeurt, heeft de economie nog altijd de oude varkenscyclus achter de hand: in de vorige eeuw en de eerste decennia van deze eeuw waren niet oververhitting, maar eerder overinvesteringen, overcapaciteit en uitpuilende voorraden de boosdoeners die de cyclus in een neergang duwden. Azië kan er in de jaren negentig van meepraten. Een oud paradigma dus, eerder dan een nieuw.