Dorp

Als je vanaf de uiterste punt van Frankrijk een end de Pyreneeën inrijdt, langs lome dorpspleintjes met oude mannen en hoge platanen, en je kronkelt dan nog eens langs een smal weggetje vijftien kilometer lang omhoog, dan ben je in het zuidelijkste dorp van Frankrijk. Lamanère bestaat uit een handvol huizen die rondom een kloof zijn gestrooid. In de jaren vijftig woonden hier zo'n vijfhonderd mensen. Nu zijn het er precies 36. Ik logeer bij vrienden. We gaan op bezoek bij de buren, Michel en Isabelle, jeugdige mensen van nog geen vijftig. Ze vertellen ons het eentonige verhaal van alle kleine Europese dorpen: een school, een levendige middenstand, en binnen twintig jaar alles weg. ,,Hier waren ook nog twee espadrillefabriekjes'', vertelt Michel. ,,Toen die rond 1970 dicht gingen is het hele dorp in één klap leeggelopen naar het dal, de jeugd voorop.'' ,,Maar we waren ook arm'', zegt Isabelle. ,,Paddestoelen, bosbessen, alles wat uit de aarde gehaald kon worden aten we op. En elk dier dat we zagen bewegen probeerden we te vangen.'' Michel: ,,Iedereen kende honger. We smokkelden varkentjes over de bergen. Mijn moeder maakte espadrilles, zes franc per dozijn.'' ,,En van alles wat het land opbracht ging de helft naar de grondeigenaar'', zegt Isabelle. ,,Had je twee varkens, een was van meneer Cassu. Aardappels, de helft. Dat was in de jaren zestig nog zo. We werkten als zwarten. Alle ouders dreven hun kinderen naar de post, de douane, de politie of het leger. Ambtenaar worden, het dal in, dat was de enige manier om van de feodaliteit af te komen. De jeugd is het dorp gewoon uitgejaagd.''