Cultuur is niet maakbaar door de politiek

In zijn betoog `Er is niets tegen elitaire kunst' op deze pagina van 1 mei analyseert Pieter Kottman het ingezette beleid van staatssecretaris van Cultuur Van der Ploeg. Hij constateert dat Van der Ploeg vanaf zijn aantreden hamert op het belang van kunst voor het grote publiek en voor achtergestelde groepen in de samenleving, de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de kunstenaar en de ongelijke verdeling van subsidiegelden. Tot nu heeft de visie van de staatssecretaris volgens hem nog geen gevolgen gehad voor het beleid, maar de psychologische effecten van Van der Ploegs kruistocht zijn, aldus Kottman, al zichtbaar in het onlangs uitgebrachte Vooradvies van de Raad voor Cultuur. Vervolgens licht Kottman enkele passages uit de context van het advies om zijn opvatting te onderbouwen, dat de Raad ,,uit lijfsbehoud'' de inzichten van de staatssecretaris overneemt. Daarmee laat hij de nuancering achterwege.

Dat overeenkomsten bestaan tussen de opvattingen van de Raad en die van de staatssecretaris is niet zo verwonderlijk, want zoals Kottman zelf constateert, geven de beleidsvoornemens meer blijk van continuïteit, dan van discontinuïteit. Continuïteit acht de Raad een goede zaak. Nog steeds gaat het om jongeren, minderheden, vernieuwing en het betrekken van zoveel mogelijk mensen bij kunst en cultuur. Ver voor het tijdperk Van der Ploeg droeg de Raad deze visie al uit. Wie het Vooradvies goed gelezen heeft kan het niet ontgaan zijn dat de Raad nog een stapje verder gaat. In het advies wordt gewaarschuwd dat culturele doelstellingen, zoals kwaliteit, vernieuwing en diversiteit, niet op één lijn mogen worden gezet met politieke prioriteiten. Die laatste zijn meer gebonden aan de actualiteit, de persoon van de bewindsman of -vrouw en dus wisselvalliger. De verschillen komen behalve in de prioriteit die de Raad toekent aan culturele doelstellingen tot uiting in het benadrukken van kwaliteit als subsidiecriterium en aan de noodzaak kwetsbaar aanbod te beschermen. Bovendien zegt de Raad dat het teveel stimuleren van de vraagkant risico's kan inhouden voor de kwaliteit. Er is in dat verband niets tegen elitaire kunst, omdat kunst – ook in de ogen van de Raad – per definitie uniek is en alleen kan gedijen in een omgeving waar ruimte wordt geboden aan eigenzinnige initiatieven van individuen en groepen.

In zijn advies voor de komende cultuurnota `Cultuur voor culturen' legt de Raad de nadruk op de wisselwerking tussen cultuur (uitingen van artistieke en intellectuele activiteit) en culturen (groepen en hun gedrag, leefwijze). Bij culturen gaat het niet alleen om allochtonen, al wordt daarop in het advies wel de nadruk gelegd, maar ook om bijvoorbeeld jongeren en ouderen. De Raad wil processen op gang brengen die cultuur en culturen zodanig met elkaar in verband brengen dat zij elkaar inspireren. De Raad hecht evenals de staatssecretaris veel waarde aan een betere afstemming van cultuuraanbod en de diverse groeperingen in de samenleving. Er moet ruimte zijn voor uiteenlopende culturele activiteiten. Daartoe behoren zowel de kunst met een grote K als andere uitingen, als ze maar kwaliteit hebben.

`Cultuur voor culturen' betekent niet dat kunst en welzijnswerk samenvallen. De Raad onderstreept in zijn advies juist dat cultuurbeleid in de samenwerking met diverse partijen (bijvoorbeeld welzijnsbeleid enerzijds en marktpartijen anderzijds) zijn identiteit dient te bewaren om in die samenwerking een duidelijk herkenbare partij te blijven. Cultuurbeleid moet de hiervoor genoemde culturele doelstellingen voorop blijven stellen. Zo kan bijvoorbeeld tegenwicht geboden worden aan de economisering van de samenleving. Dat gaat verder dan het afgebakende terrein van de kunsten. Op veel beleidsterreinen kan cultuur een richtinggevende factor zijn, bijvoorbeeld bij projecten op het gebied van ruimtelijke ordening en de inrichting van de woonomgeving, maar ook bij de aansturing van het media- en informatiebeleid.

De Raad vindt het onzin om cultureel ondernemerschap op één lijn te zetten met culturele doelstellingen. Ondernemerschap is binnen kunst en cultuur een instrument en geen doel op zich. In cultuurbeleid is commerciële kwaliteit ondergeschikt en niet nevengeschikt aan artistieke en culturele kwaliteit, zoals de staatssecretaris het voorstelt.

De Raad kiest voor een pluriform kwaliteitsbegrip. Dat is geen aanval op de kwaliteitscriteria, maar een aanscherping daarvan. Niet alle cultuuruitingen worden bij voorbaat subsidiabel geacht. Bij de beoordeling van culturele uitingen door deskundigen gaat de Raad uit van de context en het genre waarbinnen deze tot stand komen. In onze tijd overschrijden culturele activiteiten bovendien steeds meer de gebruikelijke scheidslijnen: tussen cultuur en commercie, tussen de traditionele disciplines op het gebied van kunst, erfgoed, media en informatie en tussen de diverse genres zelf. De consequentie is dat het systeem van subsidiëring en beoordeling flexibeler moet worden om deze grensoverschrijdende ontwikkelingen te faciliteren. De Raad heeft daartoe een denkrichting aangegeven met het beschrijven van een meer functiegerichte benadering, die niet zozeer uitgaat van culturele instellingen, maar van (hun) culturele activiteiten.

De komende maanden zijn cruciaal voor het toekomstig cultuurbeleid. Zonder twijfel zal kritisch gevolgd moeten worden waar deze staatssecretaris uiteindelijk de krijtlijnen wil plaatsen, waarbinnen in zijn optiek `gespeeld' mag worden. Als Van der Ploeg de cirkel te dicht om zich heen trekt en denkt cultuur te kunnen `maken', komen kunst en cultuur al gauw in de knel: de echte vernieuwers laten zich per definitie niet kooien.

Ton Brandenbarg is algemeen secretaris van de Raad voor Cultuur.