Stop over

Een avond in een leeg toeristendorpje, niet ver van Genua. Dit zijn van die echte depressiedagen. De wind trekt aan mijn loodgieterbusje, de regen klettert op het dak en alleen café Derna biedt uitkomst. Dit dorp wordt beheerst door de merkwaardigste toegangsweg die ik ooit zag: een uiterst smalle asfaltbaan langs de kust die vrijwel helemaal uit tunnel bestaat. Het heen-en-weer verkeer wordt georganiseerd met stoplichten die slechts drie maal per uur, op exacte tijden, een ogenblik de weg openen naar de buitenwereld. Die lichten bepalen zo ook het sociale ritme van het dorp: ``Haast je, straks mis je nog het groen van kwart voor vier.''

Deze vreemde weg, vertelden ze me in het café, is het restant van een oude spoorlijn die in het begin van deze eeuw met ongelofelijk veel moeite langs de kust was aangelegd. Voor altijd. Maar na 25 jaar was-ie al weer vervangen door een nieuwe lijn, even verderop. Vooruitgangsslijtage.

Willem Nijhoff kon in 1934 nog horen hoe een schippersvrouw een psalm zong, terwijl ze onder de nieuwe brug bij Zaltbommel doorvoer. De essayist Martin Reints ging eens na hoeveel auto's er toen over die brug reden: ongeveer twee per kwartier, per jaar minder dan nu op één dag. Daarna is het aantal Nederlandse auto's gestegen van 139.000 in 1950, 2,5 miljoen in 1970, tot 6 miljoen nu. De afgelopen halve eeuw hebben ze dit continent werkelijk doorploegd met tunnels, bruggen en betonbanen, je gelooft je ogen niet. Overal denk je: dit is klaar, dit ligt er voor altijd. Maar morgen is het al weer ouwe troep. Nooit versleet de vooruitgang zo snel.