Routinematige ruggenprik is onverantwoord

De doelmatigheid van de gezondheidszorg wordt door het routinematig toepassen van de ruggenprik bij barende vrouwen niet gediend, vindt Mariël Croon. Het klakkeloos klaarstaan met de verdovingsspuit is meer een graadmeter voor de onmacht van de arts dan voor de zelfstandigheid van de vrouw die onder zijn of haar leiding een kind baart.

PvdA-Kamerlid Marjet van Zuylen denkt zichzelf en zwanger Nederland een dienst te bewijzen door de `vroedvrouwenmaffia' aan te pakken. En wel voordat zij zelf aan een kind begint, zo stelde ze onlangs in een interview in Opzij. Van Zuylen hekelt het Nederlandse gebruik om barende vrouwen niet routinematig, maar alleen op medische indicatie een ruggenprik toe te dienen, en houdt daar de vroedvrouwenstand voor verantwoordelijk.

Niet gehinderd door enige kennis van zaken stelt Van Zuylen hiermee het Nederlandse erfgoed van de normale, ongecompliceerde bevalling in de waagschaal en lijkt aanstaande moeders op voorhand te willen beroven van hun autonomie tijdens de baring. Want de `vrije keuze voor pijnbestrijding' mag misschien de hoogste vorm van zelfbeschikking lijken, in werkelijkheid is het niet meer dan een door angst en onwetendheid ingegeven noodsprong. Het Nederlandse systeem van verloskunde daarentegen is, anders dan Van Zuylen wil doen geloven, een bijzonder emancipatoir systeem. Het stelt vrouwen in staat de regie over hun eigen bevalling te voeren en – zolang de medische situatie het toelaat – zonder ingrijpen van buitenaf veilig hun kind ter wereld te brengen, onder begeleiding van de verloskundige of huisarts. Zo blijven moeder en kind gevrijwaard van onnodige interventies.

Hierin onderscheidt de Nederlandse bevalcultuur zich van die in andere Westerse landen, waar de baring is verworden tot een puur medische aangelegenheid. ,,Niets op tegen'', zal Van Zuylen denken, maar juist daarin weerspiegelt zich de onnozelheid. Elke medische ingreep brengt namelijk een zeker risico met zich mee, ook epidurale anesthesie, ofwel de ruggenprik. In een poging vrouwen gerust te stellen verwoordde de anesthesist Joris Lemson de risico's als volgt: ,,Als het al voorkomt dat er `te veel wordt ingespoten', dan heeft dit niet de dood tot gevolg. Wel treden eventueel bewusteloosheid en zelfs ademstilstand op. Voor een anesthesioloog is dit adequaat te behandelen.'' Zulke ernstige complicaties zijn zeldzaam, mildere klachten komen vaker voor. Als bijvoorbeeld verkeerd wordt geprikt, kan de moeder er maandenlang hoofdpijn aan overhouden.

Maar ook op het verloop van de bevalling heeft een ruggenprik invloed. Het is ijdele hoop om te veronderstellen dat het wegnemen van de baringspijn het normale, ongestoorde verloop van een geboorte onverlet laat. De bevalling duurt door een ruggenprik aantoonbaar langer, er komt vaker een weeënversterkend infuus aan te pas, er treden frequenter liggingsafwijkingen van de baby op, er zijn meer kunstverlossingen en keizersneden noodzakelijk en moeder en kind ontwikkelen vaker een infectie tijdens de bevalling waardoor de baby's meer antibiotica krijgen.

Los van de risico's, zal het duidelijk zijn dat de doelmatigheid van de gezondheidszorg met het routinematig toepassen van de ruggenprik niet is gediend. Of we als samenleving betalen voor de medicalisering van de normale bevalling is een politieke keuze. Maar belangrijker dan geld is de teloorgang van een cultuur waarin vrouwen de mogelijkheid hebben om de bevalling als een normale levensverrichting te beleven. Wordt elke vrouw een ruggenprik aangeboden, dan zal die mogelijkheid binnen afzienbare tijd verdwijnen. Immers, het aanbod impliceert dat baringspijn niet te dragen is, waardoor die in minder dan een generatie uit onze cultuur zal zijn gebannen. Met de pijn verdwijnt dan ook de normale bevalling. Alle andere Westerse landen zijn ons daarin voorgegaan.

Hoezeer de heersende cultuur de vraag naar pijnbestrijding stuurt, blijkt uit een Amerikaans-Nederlands onderzoek waarbij vrouwen voor de bevalling werd gevraagd naar hun verwachtingen. De Nederlandse vrouwen meenden de heftige pijn wel te kunnen verdragen, de Amerikaanse vrouwen waren ervan overtuigd pijnbestrijding nodig te hebben. Aldus geschiedde.

Inmiddels is in veel Westerse landen een tegenbeweging ontstaan: groepen consumenten, gynaecologen en verloskundigen die proberen de moeizame weg terug in te slaan naar een vrouwvriendelijker benadering. Want met de medicalisering heeft ook de verzakelijking in de verloskunde zijn intrede gedaan. Voor de zorgverlener levert dit voordeel op in termen van efficiëntie en de mogelijkheid om `buiten schot' te blijven. De gynaecoloog heeft immers geen omkijken naar een vrouw die met een ruggenprik, kijkend naar haar favoriete soap, ligt te wachten tot het moment daar is dat zij verlost wordt van haar kind. Van enige begeleiding anders dan het aflezen van de monitor is dan geen sprake meer.

Het klakkeloos klaarstaan met de verdovingsspuit is dan ook meer een graadmeter voor de onmacht van de arts dan voor de zelfstandigheid van de vrouw die onder zijn of haar leiding bevalt. En het is niet de pijn die sommige vrouwen traumatiseert, maar het gebrek aan zorg tijdens de bevalling: het gevoel in een zo kwetsbare toestand in de steek gelaten te zijn, niet te worden gehoord. Wie een barende bijstaat, nivelleert zijn macht door de vrouw te respecteren in de manier waarop ze haar pijn uit en haar daarin te steunen. Daar hoort bij dat de hulpverlener een eventueel verzoek om een ruggenprik serieus neemt, of die mogelijkheid zelf te berde brengt als de pijn ondraaglijk is. Op die manier zal de bevalling een vrouw sterken in haar autonomie en zelfvertrouwen. Maar wanneer de arts of verloskundige zich met de aanblik – of het aanhoren – van een vrouw geen raad weet, zal de barende al snel het gevoel krijgen abnormaal te zijn en de pijn niet te kunnen verdragen. Een vernederende ervaring, waarvan de vraag om een ruggenprik een logisch gevolg is.

Van Zuylen meent dat de betuttelende vroedvrouw – wellicht uit economische belangen – de Nederlandse vrouw dit snoepje wil onthouden. De werkelijkheid is dat `zorg op maat' en het terugdringen van intramurale zorg de basis vormt van het kabinetsbeleid, en daarmee van de hele Nederlandse gezondheidszorg. En niet alleen verloskundigen, ook zorgverzekeraars en gynaecologen wijzen een te liberale toediening van pijnbestrijding van de hand. Economische motieven weerhouden de verzekeraars, werkdruk en beroepsethiek de artsen.

Verloskundigen hebben overigens wel iets ander te doen dan hun broodwinning veilig te stellen. De grote zorg van de beroepsorganisatie is het schrijnende tekort aan vroedvrouwen en de veel te hoge werkdruk, waardoor zij steeds meer de verlostas aan de wilgen hangen. Van Zuylen zou haar verantwoordelijkheid als politica moeten nemen door dáár iets aan te doen, en niet ons cultuurgoed mogen verkwanselen voor haar particuliere belang. Van een volksvertegenwoordiger mag men bovendien verwachten dat ze zich laat informeren voordat ze iets roept, en dat ze zich laat leiden door inhoudelijke argumenten in plaats van door verwachtingsangst.

Mariël Croon is verloskundige en hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Verloskundigen.