Laat het dit jaar goed gaan

Zondagochtend half tien. Ik open de balkondeuren en kijk over het stille grachtje. Helemaal uitgestorven is het niet. Aan de overkant staat een man kiezelstenen te gooien naar een paar eenden in het water. Terwijl ze geschrokken wegzwemmen, zoekt hij onder een boom naar nieuwe stenen waar hij even later een andere eend mee bekogelt.

Het is al de tweede keer dat ik hem hierop betrap; een paar weken geleden zag ik hem stenen gooien vanaf de werkschuit die voor zijn huis ligt afgemeerd. Ik ken deze overbuurman alleen van gezicht. Hij woont hier nog maar een paar jaar.

Als hij weer wil gaan gooien, kan ik me niet meer inhouden. Ik roep vanaf het balkon: `Waarom doet u dat?' Hij reageert niet en ik roep nog eens: `Waarom gooit u stenen naar die eenden?' Opnieuw krijg ik geen antwoord. Hij doet alsof hij me niet hoort en loopt weg, het zijstraatje in.

Ik kijk weer naar de gracht. Links van de werkschuit ligt een vlot waarop een eend met elf jongen nestelt. Aan de andere kant, bij de achtersteven, zit een meerkoet te broeden. Haar nest ligt bovenop een autoband in het water. Een paar weken geleden, toen het bijna klaar was, bestudeerde ik het van dichtbij. Het is geen ordentelijk bouwsel van sprietjes, takjes en stengels, maar een echt stadsnest, met lege melkpakken, satébakjes en -stokjes, ijswikkels, limonaderietjes, mosterdzakjes van McDonald's, repen plastic en ander drijvend afval.

Waarom nestelen die eend en die meerkoet juist hier, bij die vogelbeul, waarom hebben ze geen betere plek gekozen? Ik neem me voor om het er niet bij te laten zitten. Vanmiddag zal ik naar hem toegaan en vragen om de vogels in de gracht met rust te laten. Ik kan dreigen met de dierenbescherming.

Een half uur later gaat de bel. Ik doe de deur open en daar staat de overbuurman. `Mijn naam is Z.', zegt hij. Vriendelijk voegt hij er aan toe dat hij de vraag die ik hem van het balkon toeriep, graag wil beantwoorden. `Maar het leek mij niet zo'n goed idee om terug te gaan roepen.'

Hij wijst naar het vlot in de gracht, naar de eend met haar elf donsjes en vertelt hoe ze voortdurend wordt belaagd door mannetjeseenden. `Ik probeer die woerden op een afstand te houden. Ik gooi niet raak hoor, ik probeer ze alleen maar weg te krijgen. Als zo'n vrouwtje de hele dag moet paren, overleeft ze het niet. Elke keer wordt ze een paar minuten met haar snavel onder water geduwd en als dat vaak genoeg gebeurt, gaat ze eraan.'

Hij legt uit dat een eend met jongen niet door een mannetje wordt beschermd. `Zelfs als ze broedt moet ze het helemaal alleen opknappen.' Het is hem tot nu toe aardig gelukt, zegt hij, om de paargrage woerden bij haar weg te houden.

Nadat ik beschaamd excuses heb gemaakt voor mijn onheuse verdenkingen zeg ik dat de meerkoet beter af is dan de eend – zij hoeft niet bang te zijn voor aanranders. Terwijl ze zit te broeden wordt ze steeds omringd door de goede zorgen van haar mannetje, dat bedrijvig af en aan zwemt met blaadjes en allerlei rommeltjes in zijn snavel. `Ze moet nog twee weken', zegt de overbuurman, `maar ik ben er niet gerust op. Straks is het Koninginnedag. Er hoeft maar één raceboot door de gracht te gaan, of het is afgelopen. Tegen die golfslag is zo'n nest niet bestand. Voor de meerkoet die hier vorig jaar broedde, was Koninginnedag ook fataal.'

De hele week zit ze onverstoorbaar op haar eieren, zich niet bewust van het dreigende onheil of van de bezorgdheid waarmee ze wordt gadegeslagen. Elke keer als ik buiten kom, zie ik de zwarte vogel met de mooie witte bles, broedend op haar nest. Ik weet het zeker: dit jaar gaat het goed. Die overbuurman is een zwartkijker.

In de nacht voor Koninginnedag is het al zo'n kabaal van joelende en spurtende oranjeboten, dat het nest de dag niet eens zal halen.

's Ochtends blijken de eieren er uit gevallen. De twee meerkoeten houden zich schuil tot het feest voorbij is.