Atlanta in Houten

In de nacht van vorige week donderdag op vrijdag waren de bombardementen op Servië de hevigste tot dan toe, zo meldde het NAVO-hoofdkwartier de volgende dag. De stroom van vluchtelingen uit Kosovo naar Albanië, Montenegro en Macedonië ging gestaag voort. Maar die volgende dag was er geen vuiltje aan de lucht. Althans boven Houten en Utrecht. Het Oranjezonnetje straalde er als vanouds.

Ja, de uitgelatenheid van het publiek leek nog groter dan zij vorige jaren was. Maar niet alleen het publiek was uitgelaten; ook leden van de koninklijke familie waren zo nu en dan door het dolle heen – tot meerder gejoel bij de omstanders. Prins Willem-Alexander mag de les van Atlanta geleerd hebben – hij gedroeg zich nu opvallend ingetogen – anderen hadden deze keer de smaak te pakken gekregen.

Wat moeten we zeggen van het danspaar dat prins Claus en Pieter van Vollenhoven op een goed ogenblik vormden of van de zakdoek die de laatste de ander tegen de ogen drukte opdat hij dansende meisjes met korte rokjes niet zou zien of, ten slotte, van die juffrouw die bij prins Claus op de bagagedrager sprong (al dan niet op zijn uitnodiging)?

Allemaal good clean fun, zouden de Amerikanen zeggen. Maar we zijn hier niet in Amerika. Is iemand daarom een kniesoor wanneer hij, bij het zien van dergelijke potsen, een zekere plaatsvervangende gêne in zich voelde opkomen, ja zelfs het vermoeden dat deze lolligheid enigszins geforceerd was?

Geforceerd door wat? Door de televisie en de televisiekijkers, die blijkbaar verwachten dat koninklijke personages zich als entertainers gedragen, en anders de knop omdraaien. Niet dat hier sprake was van een bewust dingen naar hoge kijkcijfers, maar het hele spektakel in Houten had alle aspecten van een opgepepte televisieshow, die de schijn oproept acteurs en deelnemers in één roes te verenigen.

Het is het besef dat alles op de televisie geregistreerd wordt, dat toeschouwers er eveneens toe aanzet gekke dingen te doen. Dat is puur exhibitionisme. Het gejoel is net zo goed op de kijkers thuis gericht als op de koninklijke familie, en sommige leden daarvan worden er kennelijk door aangestoken.

De koningin zelf blijft daar vrij van. Zij weet, hoewel minzaam en goedlachs, de afstand te bewaren die het koningschap van gewone mensen onderscheidt. Maar tussen haar directe omgeving en de massa vervagen de grenzen. Dat komt ervan als je al te gewoon wilt doen.

We zijn dus ver van het sacrale, het mysterieuze dat de essentie van de monarchie uitmaakt (waarom anders is de oudste zoon tot de troon geroepen? – niet omdat hij daarvoor per definitie het meest geschikt is). Het sacrum, het mysterie verdraagt zich, zoals gebleken is, nog wel met de democratie, maar ook met de gewoonheidscultus die in Nederland bedreven wordt?

Heeft het koningschap zich daarom overleefd? Het is een vraag die ook de staatsrechtsgeleerde A.A.H. Struycken stelde en ontkennend beantwoordde in een college dat hij enkele dagen na de geboorte van prinses Juliana in 1909 gaf. Fasseur wijdt in een epiloog op het eerste deel van zijn biografie van koningin Wilhelmina uitvoerig aandacht aan dat college, dat onder de titel Ons koningschap is verschenen.

,,Gelijk alles'', aldus Struycken, ,,kan ook een gezagsvorm zichzelf overleven, wanneer zijn levensbeginsel vreemd wordt aan het maatschappelijk leven van het volk...'' En: ,,...het koningschap in ons land in onze tijd is alleen nationaal indien het zich beschouwt als orgaan in de cultuur-democratie ter verwezenlijking der democratische gedachte.''

Welnu, ook thans, nu de – van beide zijden bedreven – gewoonheidscultus de grenzen tussen koningschap en gewone burgers vervaagt, heeft het eerste zich nog niet noodzakelijkerwijs overleefd. Nog steeds is, zoals in Houten en Utrecht weer eens is gedemonstreerd, zijn levensbeginsel niet vreemd aan het maatschappelijk leven van het volk, en nog steeds beschouwt het zich als orgaan in de cultuur-democratie.

Alleen: dat maatschappelijk leven en die cultuur-democratie zijn veranderd (de cultuur overigens meer dan de democratie, die nog steeds berust op de door Thorbecke gelegde grondslagen) – veranderd door, onder andere, de televisie – en het koningschap is bij die veranderingen niet achtergebleven.

Met andere woorden: de behoefte van het volk gaat minder uit naar een sacrum, een mysterie, maar meer naar entertainment. Sommige leden van de koninklijke familie hebben dat, blijkens hun optreden op 30 april, goed begrepen.

Met welke ogen zou een buitenlander gekeken hebben naar het spektakel van vrijdag? En welke consequenties zal hij eruit getrokken hebben? Waarschijnlijk zal hij tot de overtuiging zijn gekomen dat Nederland een gelukkig land is. Maar ook een beetje Madurodam-achtig land, welks koninklijke personages zich een optreden kunnen veroorloven dat zelfs een gekozen president zich niet zou verwaardigen. Kortom, een aardig, maar niet helemaal serieus land.