Kamerwerk

WEINIG ZAKEN KUNNEN leden van de Tweede Kamer zo in verlegenheid brengen als praten over hun eigen beloning. Ook al worden externe deskundigen aangezocht voor een afgewogen advies, uiteindelijk is het de Kamer die over zichzelf moet beslissen. Het zijn doorgaans korte debatten die met de nodige schroom worden gevoerd. Men weet: het beeld van de `hoge heren in Den Haag' die gemakkelijk `hun zakken vullen' is nagenoeg onaantastbaar.

Alleen hierom was het advies aan het presidium van de Tweede Kamer van de uit vijf Kamerleden bestaande Commissie Emolumenten, dat onlangs naar goed Haags gebruik uitlekte, verrassend. In meerderheid koos deze commissie namelijk voor een radicale sprong voorwaarts. De bestaande neveninkomstenregeling - die tot een bepaalde hoogte bijverdiensten van Kamerleden in mindering brengt op hun inkomen als parlementariër - moest worden afgeschaft. Deze maatregel zou er toe kunnen bijdragen dat mensen met een `hoog beloonde maatschappelijke positie' geïnteresseerd raken in het Kamerlidmaatschap.

Het is een curieuze argumentatie. Sinds wanneer bekommert de Tweede Kamer zich over haar eigen samenstelling? De vraag of er al dan niet te weinig mensen uit een bepaald segment van de maatschappij vertegenwoordigd zijn, behoort niet door de Kamer beantwoord te worden, maar door de politieke partijen die voor de recrutering zorg dragen.

Dat neemt niet weg dat de Tweede Kamer wel voor randvoorwaarden kan zorgen opdat geen onnodige drempels worden opgeworpen. Is de huidige neveninkomstenregeling voor Tweede Kamerleden zo'n drempel? Ook dat is een vraag. Allereerst mogen Kamerleden – die rond de 160.000 gulden per jaar ontvangen - een bedrag (tegen de 10.000 gulden) bijverdienen. Daarboven worden extra inkomsten voor de helft in mindering gebracht op hun schadeloosstelling. Bovendien is er een maximum aan de regeling gesteld. Een Kamerlid hoeft nooit meer dan 57.000 gulden van zijn schadeloosstelling in te leveren. Met andere woorden: de huidige beloningsstructuur is geen `armoedeval' die elke financiële prikkel om wat te ondernemen buiten het Kamerwerk wegneemt.

VAN PRINCIPIËLER aard is de vraag of de Tweede Kamer neveninkomsten in mindering moet brengen op het inkomen van parlementariërs. De Commissie Emolumenten wijst er in haar rapport op dat andere beroepsgroepen een dergelijke kortingsregeling ook niet kennen. Maar kan het Kamerlidmaatschap met andere beroepen worden vergeleken? Niet voor niets genieten Kamerleden formeel geen inkomen, maar krijgen zij een schadeloosstelling. Daarmee worden zij gecompenseerd voor eventueel inkomen dat als gevolg van hun parlementaire werkzaamheden wegvalt. Behouden zij (gedeeltelijk) een inkomen, dan hoeft er strikt genomen ook geen sprake te zijn van een (volledige) schadeloosstelling.VAN PRINCIPIËLER

Dit dreigt een semantische discussie te worden. De praktijk wijst uit dat de meeste betrokkenen het Kamerlidmaatschap beschouwen als een gewone baan. Vandaar ook dat er iets voor te zeggen valt de beloningsstructuur te normaliseren, zonder bevoogdende regelingen voor neveninkomsten. Het is aan Kamerleden zelf, c.q. de politieke partijen die hen op de kandidatenlijst hebben gezet, of en in welke mate zij hun Kamerwerk kunnen combineren met andere beloonde activiteiten en hoe die worden afgerekend. Van groter belang is dat Kamerleden hun eventuele neveninkomsten én de daaraan ten grondslag liggende nevenactiviteiten openbaar maken.

AFSCHAFFING VAN de neveninkomstenregeling betekent dat voor Tweede-Kamerleden in de beloningssfeer geen uitzonderingstoestand meer geldt. Voor een aantal volksvertegenwoordigers zal het tot een financiële verbetering kunnen leiden. Maar dat er nu opeens nieuwe groepen Kamerleden zullen opstaan, valt zeer te betwijfelen. En dat is maar goed ook. De drijfveer van een Kamerlid moet niet de beloning zijn, maar bovenal het willen dienen van de publieke zaak.