Gek doen

Het lijkt een wanhopige zet, om iemand die eerst over cultuur en amusement bij de tv ging, directeur van een museum te maken; in dit geval het Groninger Museum, waar Kees van Twist die eer te beurt viel. Hij vertelde in deze krant (17/4) dat hij nu `de hele Janson aan het doorwerken' is. H.W. Jansons History of Art is, zoals bekend, een inmiddels wat verouderd handboek waaruit generaties eerstejaars studenten kunstgeschiedenis een overzicht van het terrein hebben gekregen. Ook leest Van Twist, de goeierd, de artikelen die de conservatoren over het museum - de collectie, bedoelt hij denk ik – geschreven hebben. (Zouden die conservatoren zelf nu naar videobanden van Opium en Oud geld zitten te kijken?)

Een amateur, okee, de man pretendeert niets anders, en er zijn natuurlijk altijd museumdirecteuren geweest die het vak niet aan de universiteit hadden geleerd. Al was het maar omdat het museum ouder is dan de studierichting. De gevierde Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum van 1945 tot 1962, was zelf graficus en zei altijd, als een sollicitant zijn academische bul tevoorschijn haalde: dat hoeft helemaal geen bezwaar te zijn.

Maar wat je in je hart zou hopen is, dat ze voor het besturen van een museum iemand kozen die wel eens iets interessants over kunst heeft gezegd. Iemand die iets kan of weet wat een ander niet kan of weet – op het gebied van de kunst zelf, niet als algemeen opmonteraar, zelfs op cultureel gebied. Je moet wel een erg lage dunk van de kunst als vakrichting hebben, om te kiezen voor zo'n willekeurige buitenstaander.

(Het doet denken aan de pas uitgevonden bistro's in de jaren zeventig, die steevast werden aangeprezen met de mededeling dat de bediening niet in handen van professionele obers was. Men dacht dat dat leuk was: kinderen die geen kip konden snijden, altijd morsten en je vork lieten vallen, maar o, zo gezellig kwekten over hoe ze `in dit baantje terecht waren gekomen'.)

Het is verschrikkelijk druk geworden op de museummarkt, vertwijfeld wordt om de bezoekers gevochten. En dan blijven de winkels tegenwoordig ook nog open op zondag, zoals een museummedewerker vorige week tegen mij klaagde: de concurrentie is duidelijk merkbaar. Wie de aandacht wil trekken moet opvallend leuk zijn, moet in het nieuws komen, want als er niet over je geschreven wordt, is er geen hoop. Dat zal wel de verklaring zijn voor de vreemde wegen die benoemingscommissies bewandelen. Tenzij ze domweg zitten te slapen natuurlijk, zoals het stelletje museale zwaargewichten deed dat in 1996 naar het schijnt geheel per ongeluk Chris Dercon doorliet bij de sollicitatie naar het directeurschap van Museum Boijmans van Beuningen. Oeps! Jarenlange misère bij het tweede museum van het land, conservatoren doodongelukkig, maar het foutje ongedaan maken schijnt niet te kunnen.

De behoefte om er uit te springen in de strijd om het publiek sluit tot overmaat van ramp goed aan bij de primitieve gedachte dat kunst in hoofdzaak neerkomt op gek doen. Vervreemding, u weet wel, Brecht zei het al. Dankzij de vondstenaars (de term is van Hofland) die zoveel plaats innemen op het toneel van de hedendaagse kunst, is de reactie `o wat is dat voor geks – moderne kunst zeker' een normale reflex geworden. Dat is een beetje jammer.

Tegelijkertijd gaat het wel degelijk goed met de musea. De strijd om publiciteit loont: er wordt meer over kunst geschreven en gepraat dan ooit tevoren. De tentoonstellingsagenda puilt uit van al het moois, en dan worden er ook nog even fraaie als gedegen catalogi gepubliceerd – zoals dezer dagen die bij de expositie `Aardse Paradijzen 2' in Haarlem, en `Rembrandt en Goethe' in het Rembrandthuis.

Drie weken geleden deed het onwaarschijnlijke aantal van 900.000 mensen mee aan het nationaal Museumweekeinde door een museum te bezoeken: bijna een miljoen! Dat het er 50.000 meer waren dan vorig jaar betekent dat de rek er nog niet helemaal uit is. Maar waar je serieus over moet denken is, wat de beste middelen zijn om die rek te veroveren.