`Dat nooit weer' geldt niet voor Kosovo

Voor het eerst sinds de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog lost het Westen in Kosovo de belofte `Dat nooit weer!' in. Maar Michael Stein vraagt zich af of een tienprocentsoorlog, zoals die in Kosovo wordt gevoerd, tot iets anders kan leiden dan tot een tienprocentsoplossing.

Wie de Tweede Wereldoorlog had overleefd, had de keus uit drie mogelijkheden: zwijgen, praten of schrijven.

De zwijgers hadden maar al te vaak te maken met een afwijzende of vijandige omgeving die niets van dat gezeur uit het recente verleden moest hebben. Vaak waren zij ook niet in staat om zichzelf te confronteren met hetgeen hun was overkomen – en kregen zij pas jaren later daarmee problemen.

De praters probeerden hun ervaringen te overwinnen door ze eindeloos, als een repeterende breuk, te herbeleven.

De schrijvers wilden verhinderen dat het gebeurde vergeten in de geschiedenis zou wegzakken. De SS-officier die tot een jood zei dat zelfs als iemand het kamp zou overleven, hij toch nooit geloofd zou worden, moest hoe dan ook in het ongelijk worden gesteld.

Vaak probeerden de praters elkaar te overtroeven. Lijden is zowel in de joodse als in de christelijke cultuur een groot goed. Dus werden zij die het meest hadden geleden de morele winnaars. Zoals die oude dame die in Auschwitz al in de gaskamer was geweest, maar er tijdelijk werd uitgelaten omdat het gas op dat moment op was. Daarna kwam het er niet meer van, en werd zij door de Russen bevrijd. Zij stond aan de top van het klassement-lijden. Niemand had immers het vernietigingskamp Sobibor overleefd; dus kon ook niemand uit dát kamp tot de kampioenen worden gerekend.

Een eervolle vermelding kregen zij die Mauthausen, Dachau en Buchenwald hadden overleefd. Want zij hadden in feite ook dood moeten zijn. Bergen Belsen, dat geen gaskamers of dwangarbeid kende, en waar de gevangenen alleen werden doodgehongerd, stond midden op de ranglijst. Onderaan stond het concentratiekamp Theresienstadt, dat geen vernietigings- of uithongeringskamp was geweest. Daarom moesten de mensen uit dat kamp hun mond houden. Zij hadden ,,niets meegemaakt''. Uiteraard waren de onderduikers, méér dan alle anderen, lieden die nóg minder hadden meegemaakt, en dus al helemaal niets mochten zeggen.

Vanaf de jaren '60 brak de hiërarchie van het lijden geleidelijk af. Omdat het duidelijk werd dat veel meer mensen dan gedacht, inclusief de naoorlogse generatie, ernstig beschadigd waren. En omdat anderen die zich van de joodse lijdenscatalogus buitengesloten voelden, aandacht eisten én kregen voor hún lijden. Iedereen had recht op erkenning voor zijn eigen lijdensgeschiedenis.

Door de Koude Oorlog brokkelde de positie van de kampioenen in het lijden nog verder af. Veel slachtoffers die de verschrikkingen van Buchenwald hadden overleefd, bleken immers op hun beurt beulen te zijn geworden van het communistische systeem in de DDR. Hoe konden zulke goede mensen zó slecht zijn geworden? Maar men gaf bij voorkeur geen aandacht aan dat fenomeen. Want intussen hadden Auschwitz en Hitler een puur-mythologische betekenis gekregen. Zij waren de symbolen geworden van een exclusief en eenmalig Kwaad.

Natuurlijk waren er schrijvers die aantoonden dat dit Kwaad helemaal niet eenduidig was, maar oneindig veel facetten omvatte. Zo bleken de meeste oorlogsmisdadigers doodgewone mensen te zijn – toegewijde echtgenoten, liefhebbende vaders, dierenminnaars of liefhebbers van klassieke muziek. Zij hadden `alleen op bevel' massamoorden georganiseerd, of deel uitgemaakt van een bestaand systeem waaraan zij zich niet wilden onttrekken.

De banaliteit van Het Kwaad bleek echter maatschappelijk onacceptabel te zijn. Want dat zou betekenen dat Auschwitz geen aberratie van de geschiedenis was en dat in ieder een potentiële Hitler leefde. Die gedachte was onverteerbaar, zowel voor de overlevenden met hun unieke ervaringen, als voor de samenlevingen waarin zij terugkwamen. Bovendien bleek dat Het Kwaad wel degelijk een dividend opleverde, met name de `erkenning' dat men tot de kampioenen behoorde van het lijden. Dus werd erkenning het tovermedicijn bij uitstek om ellende op alle niveaus van de meest verschillende mensen en groepen te genezen.

Tegelijkertijd groeide in het steeds rijkere en vrijere Westen, waarin de culturele en religieuze scheidslijnen alsmaar verder vervaagden, de behoefte van vele half of geheel geassimileerde `allochtonen' om ,,op zoek te gaan naar hun wortels''. Zij leefden en voelden als de meerderheid, maar hadden toch iets andere leefgewoonten en zagen er soms ook iets anders uit. Zij wisten echter niet wat dat `anders zijn' nu precies was.

Met name de afstammelingen van groepen en volkeren met vreselijke ervaringen, zoals de Armeniërs en veel zwarte Amerikanen, wilden nu eindelijk hun historische slachtofferschap aantonen en daarmee hun eigen identiteit benadrukken. Al die groepen zagen in de joden een voorbeeld. Het werd door de één als een wonder, door de ander als een vloek gezien dat het joodse volk dát alles had overleefd. Zelfs in de Derde Wereld vroegen velen zich af hoe zij, na alle rampspoed die hun was overkomen, zoveel succes hadden gehad bij de stichting en verdediging van de staat Israel.

Daarom probeerden de Palestijnen na de door Israel zo onverwachts gewonnen juni-oorlog van 1967 de plaats van de joden in te nemen. Jaren lang hadden zij óf de holocaust ontkend, óf `bewezen' dat de nazi's nauw met `de zionisten' hadden samengewerkt bij de uitroeiing van de joden. Nu stelden zij dat diezelfde zionisten in niets van de nazi's verschilden, waardoor zijzelf de joden van de Israeliërs waren geworden.

Vanaf de jaren '70 kregen het lijden en het leed van de vervolgden en onderdrukten op aarde nog steeds grote aandacht, maar leverde de strijd tegen Het Kwaad steeds meer problemen op. Stuk voor stuk verdwenen de voorbeelden van Het Goede, gepersonifieerd door tal van landen. Israel, Cuba, Joegoslavië, China en de PLO bleken in werkelijkheid minder voortreffelijk te zijn dan men ze had afgeschilderd. In hun plaats kwamen geen nieuwe voorbeelden.

Tegelijkertijd dempte de mogelijkheid dat de strijd tegen Het Kwaad in een vernietigende atoomoorlog kon uitmonden het nog overgebleven enthousiasme. Waar vroeger het bewustzijn had geheerst dat sommige oorlogen wel degelijk `rechtvaardig' waren, kwam nu steeds meer het besef op dat álle oorlogen per definitie slecht waren, zelfs de oorlogen van de Goeden tegen de Slechten. Dat was allemaal voor niets vergoten bloed en verspilde moeite.

Natuurlijk moest Het Kwaad nog wél worden bestreden. Maar dan gaarne met vriendelijke middelen, bijvoorbeeld met het organiseren van demonstraties en rockconcerten. Of met minder vriendelijke, maar even risicovrije middelen, zoals vanuit de verte gelanceerde precisiebommen en raketten. En natuurlijk was het van belang dat elk jaar opnieuw de 4 mei-herdenkingstoespraak van een burgemeester of minister werd opgeluisterd met de belofte: `Dat nooit weer!'. Zoals ook de kerstwens `Vrede op Aarde' onvervangbaar was.

Nu, voor de eerste maal sinds de Tweede Wereldoorlog, lijkt de Westerse wereld die belofte van `Dat nooit weer!' in te lossen. Reden om innig tevreden te zijn. Eindelijk wordt er ingegrepen. Ditmaal proberen de lidstaten van de NAVO daadwerkelijk een eind te maken aan massa-verdrijvingen en -moorden, gepleegd door een nationale overheid. Eindelijk verspreiden zij met geweld ,,onze democratische normen en waarden''. Nog niet over de hele wereld, maar alleen over de rest van Europa, en dan op zo'n wijze dat men in geen van de NAVO-landen slachtoffers hoeft te betreuren.

Maar leidt zo'n tienprocentsoorlog tot iets anders dan een tienprocentsoplossing? Meedogenloze regimes, die ook nog eens door een meerderheid van de bevolking worden gesteund, kunnen immers niet door bombardementen worden weggevaagd. De Duitsers na de Tweede Wereldoorlog waren geen betere mensen dan daarvoor. De Duitse samenleving kreeg alleen onder dwang van de overwinnaars de democratie opgelegd – met alle normen en waarden die daarbij horen, plus de economische basis, die voor elke democratie onmisbaar is. Maar bijna alle oorlogsmisdadigers, die niet werden opgepakt of gestraft, gleden onzichtbaar terug in hun vroegere posities van geachte medeburgers.

Helaas is het streven van de NAVO, wat Joegoslavië betreft, niet om daar de samenleving grondig te wijzigen. Dat zou te kostbaar zijn, dat wil zeggen teveel eigen mensenlevens, teveel geld en teveel inspanning kosten. Dat maakt het inlossen van de 4 mei-belofte ten aanzien van Kosovo zo dubieus. Toch is het moeilijk bezwaar aan te tekenen tegen wat de NAVO in Joegoslavië doet. Een normaal mens kan immers niet anders dan met de Kosovaren begaan zijn?

Maar zoals voorheen de naakte werkelijkheid van Auschwitz in een steriel symbool veranderde, dat alleen voor de overlevenden en hun naasten nog van écht belang is, zo begint Kosovo nú al geschiedenis te worden... en dus ons een beetje te vervelen. Al die vreselijke verhalen? We hebben ze wel genoeg gehoord. Die bombardementen, waarbij ook nog burgers omkomen? Het heeft te lang geduurd. ,,Wat moeten we met die Albanezen?'' denken kennelijk al die politici die ze per se `in de regio' willen houden en in eigen land weigeren.

Onze scepsis en afstandelijkheid zouden aanzienlijk afnemen, als wij het gevoel zouden hebben dat `de politiek' serieus is in haar oorlog tegen Het Kwaad in Kosovo, als wij meer zekerheid zouden hebben dat de eindeloos herhaalde 4 mei-beloftes inderdaad worden waargemaakt.

Als het er niet van komt, zullen er boeken worden geschreven en is er over een jaar of drie – want de tijd gaat snel – vast en zeker een goede film over het lot van de Albanese Kosovaren. En misschien ook over onze schuldgevoelens.

Michael Stein is redacteur van NRC Handelsblad.