Alles moet kapot

Hoort de hooligan nu wel of niet bij het voetbal? Op het eerste gezicht draagt de hooligan (vertaald: straatschender, herriemaker of apache) de kenmerken van een voetbalsupporter. Hij bevindt zich bij voorkeur in een voetbalstadion of in de onmiddellijke nabijheid daarvan en heeft zich vaak uitgedost in de kleding en kleuren van een of andere club. Hij uit dezelfde strijdkreten als andere aanhangers van de club, is net als zij andere clubs en zijn leden vijandig gezind, en spreekt dezelfde agressieve taal als voetballers en voetbaltrainers en ook wel voetbalbestuurders.

In elk voetbalstadion is de hooligan in woord, gezang en gebaar aanwezig. Hij schreeuwt, zingt, drinkt, blowt, slikt en heft zijn middelvinger wanneer zijn club heeft gescoord. Liefst fluit hij op zijn vingers om de tegenstander en zijn aanhang uit te dagen, om zijn ongenoegen kenbaar te maken over de scheidsrechter, het vertoonde spel en over de troosteloosheid van de samenleving. Voor menig hooligan is de gang naar het stadion domweg een manier om zich los te maken van zijn saaie bestaan. Als een lang opgesloten pitbull die door zijn baas wordt uitgelaten bijt hij de buurman in zijn benen.

De ene club trekt meer hooligans aan dan de andere. Waarom is moeilijk te verklaren. Riskant ook, want wie een club bekritiseert is zijn leven niet zeker. Van ongeschoolden tot intellectuelen, wanneer je aan hun club komt, worden ze gek. Doorgaans heeft het te maken met de naam, het imago en de traditie van de club. Ook met de grove manier waarop spelers, trainers en bestuurders van de club zich manifesteren. Maar zelfs als deze rolmodellen, bewust van hun invloed, zich minder als primitieve geesten gedragen is het kwaad van de hooligan niet geweken.

Diep van binnen brult in de hooligan een hongerige leeuw. Wanneer de dompteurs menen het beest onder controle hebben, sluipt de leeuw uit zijn schuilplaats. De kleinste aanleiding is al voldoende om de hooligan te prikkelen. Hij wacht en zoekt een plaatsje uit om weer toe te slaan. Winkels, auto's, telefooncellen, bankgebouwen, mensen met geld, gewone mensen, alles wat kapot gemaakt kan worden, gaat kapot. Liefst zoekt hij de strijd met de soldaten van het gezag. Kicken, cool. Wie de weg verspert, gaat er aan. Kom op als je durft. Wij met z'n allen schieten je hartstikke dood.

Wat als stammenstrijd begon, is strijd tegen onvrede, strijd om vrijheid van meningsuiting en verzelfstandiging geworden. De hooligan heeft op de tv gezien hoe het moet. Wie agressief wil zijn, is agressief. Wie wil schelden en vechten, zuipen, blowen en slikken, schieten en doden, doet het. Verwarring is de heersende gemoedstoestand.

In veel mensen schuilt een hooligan. Ze lopen het risico dat ze worden geconfronteerd met onvermoed kwaad in hun hoofd wanneer zij zich mengen met het voetbalvolk. Wie is opgegroeid in het tijdperk van bloemen en vrije liefde, die voetbal wil beleven als een spel van sportieve competitie, weet niet wat hij hoort, ziet en voelt zodra hij een stadion nadert.

Het bloemenkind van weleer voelt schrik, bevreemding, afschuw en vrees. Hij siddert en kotst van angst. Hij wil vluchten uit Kuip en Arena, naar waar geen voetbal wordt gespeeld en geen mensen leven die menen dat de hooligan niets met voetbal te maken heeft. Hij wil nooit meer horen dat mensen die zich in 1999 in Rotterdam zich te buiten gingen aan hooliganism, niets met voetbal te maken hadden. En nooit meer dat Duitsers die in 1998 in Frankrijk bijna een politieman vermoordden, niets met voetbal te maken hadden. Voetbal trekt hooligans aan. Dat staat vast.